Het plangebied ligt in een gebied met dekzandruggen en -vlaktes. Direct ten westen van het plangebied ligt een dekzandrug.
Uit het bureauonderzoek blijkt dat het niet duidelijk is of het plangebied een gunstige locatie is geweest om te wonen vanaf het Paleolithicum omdat de landschappelijke ligging niet goed bekend is; het is onduidelijk of het plangebied oorspronkelijk op de dekzandrug van Eerde ligt, of in een vlakte daarnaast. De gemeentelijke landschappelijke kaart plaatst het plangebied op basis van het AHN in de dekzandvlakte. Op de dekzandrug zijn de bewoningscondities gunstig: de nattere dekzandvlakte is een minder gunstige locatie.
Uit de bodemkaart en omliggende onderzoeken blijkt dat het plangebied langdurig is gebruikt als bouwland en dat zich (vóór de ontwikkeling van het dorp Eerde) een esdek heeft ontwikkeld. Dit betekent dat eventuele ondiepe sporen uit het Paleolithicum en Mesolithicum waarschijnlijk verploegd zijn en opgenomen in het esdek. Eventuele diepere sporen uit het Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen kunnen onder het esdek bewaard zijn gebleven.
Het plangebied ligt net buiten de historische kern van Eerde, een akkerdorp dat rond de Sint Antoniuskapel is ontstaan. De Sint Antoniuskapel is vanaf 15e eeuw in bronnen vermeld. In de 19e eeuw bestaat het plangebied uit bouwlanden en het is tot op heden onbebouwd.
In het plangebied zijn vijf boringen gezet, één tot 300 cm -mv en vier tot
120 cm -mv. Het booronderzoek bevestigt dat de natuurlijke ondergrond bestaat uit dekzand. De top van de C-horizont ligt tussen 95 en 105 cm mv (927 en
899 cm NAP). In drie boringen in het midden en noordwesten van het plangebied is nog een restant van een B-horizont aanwezig, waarvan de top tussen 75 en
95 cm -mv ligt. In de overige twee boringen is de bodem verstoord. Alhoewel de bodem deels intact is, wijzen ondiepe hydromorfe kenmerken op natte omstandigheden. Dit bevestigt de ligging in een dekzandvlakte. Dit betekent dat het plangebied waarschijnlijk ongeschikt is geweest voor bewoning. Bureau voor Archeologie adviseert daarom het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling.