Gespecificeerde archeologische verwachtingVanuit het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een hoge verwachting heeft op het voorkomen van archeologische waarden daterend in principe daterend vanaf de Late-Bronstijd. Verzamelde landschappelijke gegevens geven aan dat het plangebied binnen jongste fase (fase D) van de Ressen stroomgordel ligt, waarbij zijn fase van activiteit plaatsvond van circa 1050 tot 230 voor Chr. (Late-Bronstijd tot Late-IJzertijd). De ligging op een oeverwal dan wel een kronkelwaardrug gaf de beschikking van voldoende areaal bouwland (akkergronden) en het houden van vee, en daarmee de ontwikkeling van een nederzetting((s)complex). Eerder uitgevoerd gravend onderzoek onderschrijft deze hoge verwachtingswaarde, waarbij tijdens eerder gravend onderzoek diverse vindplaatsen zijn aangetroffen zowel binnen de woonwijk Brienenshof, direct ten oosten van het plangebied, als in het oostelijke deel van de woonwijk De Wuurde, dat ten westen van het plangebied aan de overzijde van de Rijksweg Zuid begint. Het betreffen veelal (delen van) nederzettingscomplexen die een vrij continue periode van bewoning laat vanaf de Midden-IJzertijd t/m de Late-Middeleeuwen. Tevens betreft een groot deel van het plangebied het historisch boerenerf De Brienenshof, welke zeer waarschijnlijk in 1760 is ontstaan. Hierbij dient er ook nog rekening te worden gehouden met een historische voorloper die wellicht terug gaat tot in de Late-Middeleeuwen, waarbij mede door ophoging van het terrein een oude woongrond/terpgrond kan worden verwacht. De kans op het aantreffen van restanten van historische bouwwerken/bebouwing uit de Nieuwe tijd (bijvoorbeeld in de vorm van muurresten/funderingen) wordt daarom zeer hoog geacht.Resultaten inventariserend veldonderzoekDe aangetroffen bodemopbouw tijdens het gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek bevestigd zowel de te verwachte paleogeografische ontwikkeling en daarmee de natuurlijke bodemopbouw als dat er een antropogene ophoging van het terrein heeft plaatsgevonden. Aangetroffen natuurlijke afzettingen betreffen oever-/kronkelwaard- op beddingafzettingen en zullen naar alle waarschijnlijk zijn gesedimenteerd tijdens de jongste actieve fase (fase D) van de Ressen stroomgordel. In de top heeft zich een kalkhoudende poldervaaggrond ontwikkeld. De top van deze bodem lijkt intensief te zijn bewerkt, waarmee er zich een oude akker-/cultuurlaag heeft gevormd (vorming van een Abp-horizont waarschijnlijk vooral ten gevolge van agrarische activiteiten). Deze laag komt in het noordelijke tot westelijke deel van het plangebied voor tussen gemiddeld 120 en 160 cm -mv en in het ontgraven terreindeel waar bebouwing heeft gestaan (binnen het centrale tot zuidelijke deel van het plangebied) tussen circa 25 en 85 cm -mv. Ten opzichte van NAP is sprake van een vergelijkbaar niveau, gelegen tussen 8,3 en 7,9 m +NAP. Boven deze natuurlijke afzettingen komt een oude woongrond/terpgrond voor, welke gekoppeld kan worden aan het bestaan van het erf Brienenshof (waarschijnlijk uit 1760). Bij verschillende boringen verspreid over het plangebied is archeologisch dateerbaar vondstmateriaal aangetroffen in zowel de oude woongrond/terpgrond als uit de onderliggende oude akker-/cultuurlaag. De datering van het Nieuwe tijd vondstmateriaal uit de oude woongrond/terpgrond komt goed overeen met de bestaansperiode van het boerenerf Brienenshof. Tevens zijn een tweetal boringen gestuit en daarmee gestaakt op massieve verhardingen, waardoor er rekening dient rekening te worden gehouden dat het kan gaan om restanten van een uitbraaksleuf of mogelijk zelfs muurwerk of funderingsresten van oude/historische bebouwing tot binnen het erf Brienenshof heeft gestaan. Vondstmateriaal uit de onderliggende oude akker-/cultuurlaag duidt op menselijke (bewonings)activiteiten uit de perioden Late-IJzertijd-Romeinse tijd, de tweede helft van de Vroege-Middeleeuwen (Karolingische periode) en uit de Late-Middeleeuwen. Voor het laatste dient gedacht te worden aan een mogelijke laatmiddeleeuwse voorloper van het erf Brienenshof. Tevens zijn zowel in de oude akker-/cultuurlaag als in de direct hieronder gelegen laag, in gradaties fosfaatvlekken aangetroffen dat veelal kenmerkend is voor agrarische activiteit (houden van vee).ConclusieOp basis van de geleverde onderzoeksinspanning en de daarbij aangetroffen archeologische indicatoren wordt geconcludeerd dat er binnen het plangebied mogelijk sprake is van één of meerdere archeologische vindplaatsen uit verschillende archeologische perioden daterend vanaf de Romeinse tijd en mogelijk al uit de Late-IJzertijd. Voor de perioden Late-IJzertijd-Romeinse tijd en Middeleeuwen is het type vondstcomplex, is op basis van alleen de resultaten van het booronderzoek, moeilijk in te schatten. Het kan gaan om menselijke bewoningsactiviteiten binnen een agrarische context uit de Late-IJzertijd-Romeins tijd en Middeleeuwen (denk aan huisplaatsen van boerenerven met houtbouw). Voor de periode Nieuwe tijd worden restanten/structuren van steenbouw (muurwerk, funderingsresten, water-/beerputten) verwacht die tot het historisch boerenerf Brienenshof zullen hebben behoord. Door de voorgenomen ingreep (nieuwbouw van 4 woningen te realiseren en inrichten van de omliggende terreindelen, waarbij graafwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd tot een diepte van circa 1 tot 1,5 m -mv) zal binnen het plangebied de mogelijk aanwezige archeologische vindplaats(en) verstoord worden.AdviesOp grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het gehele plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Het verspreid over het plangebied (in de boringen) aangetroffen vondstmateriaal en de historische ontwikkeling van het plangebied (het betreft de locatie van het boerenerf Brienenshof), duidt op de aanwezigheid van één of meerdere, intact zijnde archeologische vindplaatsen uit verschillende archeologische perioden, daterend vanaf de Romeinse tijd en mogelijk al uit de Late-IJzertijd. Behoud van een mogelijk aanwezige archeologische vindplaats zal niet mogelijk zijn bij een niet aangepaste uitvoering zoals voorgesteld in het inrichtingsplan. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P).Voor het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze het onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit PvE dient te worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Overbetuwe).
Date Accepted: 03-09-2021
Date Accepted: 2021-09-03