Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting voor de perioden (Laat) Paleolithicum t/m het Neolithicum, afnemend naar middelhoog en vervolgens laag gedurende de periode van de Bronstijd. Gedurende deze periode had het plangebied een ligging binnen een (mogelijk met dekzand bedekt) grondmorene-landschap en was wellicht een geschikte locatie voor het ontplooien van (tijdelijke) bewoningsactiviteiten door jagers-verzamelaars en (vroege-)landbouwers. Op het nabijgelegen AMK-terrein op het Leeksterveld (slechts enkele honderden meters ten westen van het plangebied) zijn door particulieren/amateurarcheologen veel vondsten zijn gedaan, vooral bestaande uit vuur-steen. Gravend onderzoek hebben nederzettingssporen opgeleverd daterend vanaf het Mesolithicum tot in de Midden Bronstijd. In het bijzonder is de vondst van twee (laat)neolithische kringgreppels/graven. In de loop van de tweede helft van de Bronstijd/Midden tot Late Bronstijd vernatte het gebied dermate dat de eerste hoogveenvegetaties tot ontwikkeling kwamen. Voor bewoning zal het plangebied een steeds minder gunstig wordende locatie zijn geweest voor het ontplooien van bewoningsactiviteiten. Voor de perioden IJzertijd t/m de Vroege-Middeleeuwen heeft het plangebied een lage verwachting, omdat het plangebied deel uitmaakte van een uitgestrekt hoogveengebied/veenmoeras. Het plangebied lijkt verder tot aan het einde van de Late Middeleeuwen in het hoogveen te hebben gelegen en vanuit het hoogtebeeld (AHN4) zijn er geen aanwijzingen van greppelvormige/kuilstructuren van mogelijke ontginningsgreppels en kleiwin-ningskuilen (ontgraven keileem). Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat in het centraal-zuidelijke deel van het plangebied een vermoedelijk (klein) historisch (boeren)erf heeft gelegen, met be-bouwing dat waarschijnlijk niet meer betrof dan een kleine woonboerderij. Het kleine (boeren)erf is rond begin jaren ’60 van de 20e eeuw verdwenen (bebouwing gesloopt). Voor het centraal-zuidelijke deel van het plangebied is de verwachting dan ook hoog op het voorkomen van Nieuwe tijd resten.
Resultaten inventariserend veldonderzoek
De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) laten zien dat binnen vrijwel het gehele plangebied direct aan het maaiveld ijssmeltwaterafzettingen (grondmorene, keileem/keizand) aanwezig zijn. Slechts in het uiterst noordelijke deel van het plangebied lijkt sprake te zijn van een dunne laag dekzand (tot circa 45 cm -mv) boven de keileem/grondmorene. Het gaat om zeer natte beekeerdgronden met direct onder de huidige bouwvoor aanwezige roest-/gleyvlekken in het dikke pakket keileem/keizand (dat in ieder geval doorloopt tot 120 cm -mv) en grondwater binnen de eerste meter. Ook in de periode voordat vorming van hoogveen plaatsvond zal er sprake zijn geweest van zeer natte gronden. Van een veldpodzolbodem gevormd in dekzandafzettingen, welke op basis van het bureauonderzoek werd verwacht, is duidelijk geen sprake. Geen van de boringen hebben geresulteerd in het aantreffen van een (matig dik) plaggendek en er zijn dan ook geen aanwijzing dat er plaggenbemesting heeft plaatsgevonden.
Conclusie
Op grond van de aangetroffen bodemopbouw wordt geconcludeerd dat binnen het plangebied altijd sprake is geweest van zeer natte condities. Het plangebied nam daarmee geen landschappelijke positie in die geschikt/gunstig was voor het ontplooien van (tijdelijke) bewoningsactiviteiten door jagers-verzamelaars en landbouwers. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een hoge tot middelhoge verwachting gold voor de perioden (Laat) Paleolithicum t/m de Bronstijd, dient dan ook bijgesteld te worden naar een lage verwachting. Voor de perioden IJzertijd t/m Middeleeuwen blijft de lage verwachting gehandhaafd. Dit komt verder wel overeen met de verwachting voor het merendeel van het plangebied aangegeven op de archeologische beleidskaart van de gemeente Westerkwartier. Verder heeft het opgeboorde geen archeologisch relevant vondstmateriaal opgeleverd en ook zijn aan het maaiveld geen resten/brokken waargenomen van bouwmateriaal dat wellicht tot de voormalige bebouwing (vermoedelijk een kleine woonboerderij) heeft behoord die in het centraal-zuidelijke deel van het plangebied heeft gestaan. Het lijkt erop dat de sloop rond begin jaren ’60 van de 20e eeuw op grondige wijze is uitgevoerd, met daarmee ook het volledig verwijderen van ondergrondse delen van deze voormalige bebouwing. De kans wordt daarom klein geacht op het voorkomen van Nieuwe tijd resten/structuren (in situ gelegen resten/structuren van de voormalige kleine woonboerderij).
Advies
Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. De aangetroffen bodemopbouw duidt op in het verleden minder geschikte, zo niet ongeschikte condities voor bewoning. Verder zijn er geen aanwijzingen aangetroffen die kunnen duiden op het nog voorkomen van Nieuwe tijd resten/structuren (er worden geen in situ gelegen resten/structuren meer verwacht van de voormalige kleine woonboerderij die in het centraal-zuidelijke deel van het plangebied heeft gestaan). De lage verwachting die voor het merendeel van het plangebied wordt aangegeven op de archeologische beleidskaart van de gemeente Westerkwartier, wordt juist bevestigd.
Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Het is raadzaam om ook de bevoegde overheid (gemeente Westerkwartier) op de hoogte te stellen.