Eindrapportage archeologisch verkennend booronderzoek (23117.001) Biezenakker te Ulft

DOI

Resultaten inventariserend veldonderzoek Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) kan het onderzoeksgebied worden ingedeeld in vier zogenaamde landschapszones, grotendeels ook volgend het huidige hoogtebeeld (zie kaart 6). Het westelijke/zuidwestelijk en zuidelijke deel van het onderzoeksgebied ligt binnen een lager gelegen terrasniveau (zeer waarschijnlijk te koppelen aan het Schlederhorst terras, ook wel aangeduid als Terras X), met boven de vlechtende rivierterrasafzettingen een relatief dik pakket oude rivierklei/dikke Laag van Wijchen (Landschapszone A). Het centraal-westelijke deel en het oostelijke deel van het onderzoeksgebied ligt binnen een hoger gelegen terrasniveau (welke waarschijnlijk tot het Laagglaciale terrasniveau kan worden gerekend). De bovenliggende oude rivierklei/ Laag van Wijchen is veelal een stuk dunner en is niet overal aanwezig (niet duidelijk waargenomen in het opgeboorde materiaal), wat afhankelijk zal zijn geweest is van het microreliëf van de top van het Laatglaciale terrasniveau(delen die niet of nauwelijks meer overstroomde tijdens hoogwater). Binnen een groot deel van het Laatglaciale terrasniveau is nog een afdekkend pakket rivierduinzand aanwezig (Landschapszone C binnen B). Tevens geldt dat binnen Landschapszone B en C veelal sprake is van een opgebracht plaggendek, vooral binnen de onderzochte agrarische percelen als de volkstuingronden in het noordoostelijke deel van het onderzoeksgebied. Het centrale en centraal-noordelijke deel van het onderzoeksgebied ligt binnen een relatief breed bewaarde en naar het zuiden toe wat smaller vormde restgeul binnen het Laatglaciale terras (Landschapszone D), met een beduidend dikker pakket oude rivierklei/Laag van Wijchen boven direct grindhoudende, vlechtende rivierzanden. Een aanwezige dunne laag venige klei in het meest noordelijke deel van Landschapszone D, geeft aan dat deel van het onderzoeksgebied (naast het lager gelegen westelijke/zuidwestelijk en zuidelijke deel van het onderzoeksgebied), te maken zal hebben gehad met (zeer) natte bodemcondities. Plaggenbemesting heeft hier ook niet plaatsgevonden, erop duidend dat deze grond niet geschikt waren als akkerland/bouwland. Een dun tot matig dik plaggendek is nog wel aanwezig in het zuidelijke deel van Landschapszone D.

Ten aanzien van de mate van gaafheid van het bodemprofiel geldt dat recente (soms diepgaande) verstoringen/bodemingrepen veelal beperkt zijn gebleven tot de huidige woonerven die deel uitmaken van het onderzoeksgebied. Binnen de agrarische percelen komen, op basis van het gehanteerde boorgrid, geen terrein-delen van enige omvang voor waar sprake is van een diepgaande verstoorde bodemopbouw. De Landschap-zones A en D worden gekenmerkt door kalkloze poldervaaggronden/oude rivierkleigronden. In de Landschapzones B en C komen hoge enkeerdgronden voor, vanwege de aanwezigheid van een meestal voldoende dik (≥ 50 cm) plaggendek. Dit betreft ook de terreinen die in gebruik zijn geweest als oude akkergronden/oude bouwlandgronden, zichtbaar op historisch kaartmateriaal (zie de rapportage van het eerder uitgevoerde bureauonderzoek). Bij enkele boringen binnen Landschapszone C is onder het plaggendek nog een dun restant van de van nature gevormde vorstvaaggrond/bruine bosgrond waargenomen (dunne laag van een verbruinings/verwerings-Bws-horizont, dan wel direct de BC-horizont). Dit van nature gevormde bodemprofiel zal zich hebben gevormd vooral daar waar sprake is van een dik pakket rivierduinzand. Tevens is bij een aantal boringen in het noordelijke deel van de centraal-westelijk gelegen Landschapzone C, het onderste deel van het humeuze pakket grond geïnterpreteerd als mogelijk fossiele/oude akkerlaag of cultuurlaag.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat de Landschapzones B en C in het verleden de hoge gronden vormden die geschikt waren voor het ontplooien van bewoningsactiviteiten. De locaties van aangetroffen vondstmateriaal (voornamelijk fragmenten aardewerk) wijzen hier mogelijk ook op. Een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen geldt dan ook voor de Landschapzones B en C en geldt vooral voor resten en sporen uit landbouwsamenlevingen. Steentijdvindplaatsen, voornamelijk bestaande uit strooiingen van vuursteen, zullen waarschijnlijk door het intensieve agrarisch gebruik al zijn verstoord (vuursteenresten die door ploeg- en rooiactiviteiten verder verspreid zijn geraakt). Wellicht dat nog wel restanten van (ondiepe) Steentijdsporen (haardkuilen) kunnen worden aangetroffen. De Landschapzones A en D hebben waarschijnlijk te maken gehad met vrij natte tot zeer natte bodemcondities en waren minder geschikt, zo niet ongeschikt voor bewoning. Een lage verwachting kan dan ook gegeven worden voor de Landschapzones A en D. Wel geldt nog een verhoogde verwachting op het voorkomen van zogenaamde watergerelateerde resten, wanneer binnen de aangrenzende, hoger gelegen terreindelen resten en/of sporen van bewoningsactiviteiten aanwezig zijn/sprake is van een in situ gelegen archeologische vindplaats. Het gaat dan om zogenaamde watergerelateerde archeologische vondsten en structuren die afwijken van de ‘normale’ archeologische resten (denk aan achtergebleven/verloren artefacten van jacht en visvangst, sporen die in verband gebracht kunnen worden met het verzamelen van voedsel, deposities (al dan niet van rituele aard), stort/afvaldumps en sporen van transport via en infrastructurele werken over dan wel langs het water/rivierdal).

Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO-O) wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het onderzoeksgebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een waardestellend proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Het doel hiervan dient te zijn de intactheid, spreiding, diepte en mate van verstoring van archeologisch kansrijke niveaus in kaart te brengen en op basis daarvan inzichtelijk te maken wat de consequenties zijn van de voorgenomen plannen op mogelijke archeologische resten.

Aanvullend hierop is het advies het proefsleuvenonderzoek zich (in eerste instantie) te laten richten op de Landschapzones B en C (zie kaart 5), waar vooral bewoningsresten en sporen uit landbouwsamenlevingen worden verwacht (hoge verwachting). Op basis van de resultaten van dit proefsleuvenonderzoek kan, indien daar aanleiding toe is (of en zo ja, waar en wat voor archeologische vindplaatsen (welk complextype) worden aangetroffen), gerichter bepaald worden of er binnen de Landschapzones A en D nog zogenaamde watergerelateerde resten/resten uit de ‘natte context’ kunnen worden verwacht.

Voor het proefsleuvenonderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.

Dit advies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Bronckhorst, en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (beoordeling archeologisch rapport door de heer D. Kastelein (deskundige namens de bevoegde overheid, regio-archeoloog Omgevings-dienst Achterhoek), d.d. 29 januari 2024, zaaknummer 2024EA0158).

De deskundige namens de bevoegde overheid kan zich vinden in het advies om in het centrale deel van het terrein (landschapszones B en C) een proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren. Op basis van de uitkomsten daarvan kan verder bepaald worden hoe verder omgegaan moet worden met de archeologische resten in de ondergrond. Omdat in de landschapszones A en D mogelijk nog water gerelateerde resten kunnen worden aangetroffen is het verstandig om hier in elk geval enkele proefsleuven te trekken om meer inzicht te krijgen in de landschappelijke situatie en vast te stellen of er resten aanwezig kunnen zijn. Wachten op de uitkomst van het proefsleuvenonderzoek in de gebieden B en C zou voor onnodige stagnatie kunnen zorgen.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/V8GKEK
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/V8GKEK
Provenance
Creator Broeke, ten, E.M.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, ten, E.M.; Econsultancy; Broeke, E.M. ten
Publication Year 2024
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, ten, E.M. (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 20754540
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem