In opdracht van TenneT heeft Sweco Nederland B.V. een archeologisch inventariserend
veldonderzoek verkennende fase uitgevoerd naar een locatie ten zuiden van de Rijndijk 11
te Hazerswoude-Rijndijk, gemeente Zoeterwoude en Alphen aan den Rijn. De aanleiding
voor dit onderzoek is de bouw van een nieuw hoogspanningsstation.
Het plangebied kent volgens de beleidskaart van de gemeente Alphen aan den Rijn een
middelhoge en hoge archeologische verwachting. De lichtroze gebieden in het voornamelijk
westelijke deel van het plangebied zijn hoge overstromingsvlakte van (crevasse)geulen. Het
donkerrode deel staat voor een historische watermolen die staat aangegeven op het
Kadastrale Minuutplan van 1811-1832. Voor de overige delen geldt er een middelhoge
archeologische verwachting vanaf het Neolithicum. Het gaat hier om het achterland van de
stroomgordels van de Oude Rijn, het lager gelegen veen(weide)gebied waar tot op heden
nog geen vindplaatsen zijn aangetroffen. De kans op het aantreffen van resten uit het Laat-
Paleolithicum tot en met Vroeg-Mesolithicum wordt klein geacht aangezien deze zich dieper
dan 10 m onder maaiveld bevinden.
De oudste resten die zijn aangetroffen in de omgeving van het plangebied stammen uit het
Neolithicum. Voor de aanleg van een Windturbinepark op de locatie Spookverlaat langs de
zuidzijde van de N11 zijn er in 2006 resten uit het midden- en laat-neolithicum aangetroffen.
Het gaat om stratigrafisch gescheiden bewoningslagen van de Vlaardingen- en
Enkelgrafcultuur binnen een pakket oeverafzettingen behorende bij een crevassencomplex.
Op het hoogste punt dagzoomde de oeverwal van het crevassencomplex tot slechts
40 cm diepte – Mv. Binnen het plangebied zijn tot op heden geen neolithische crevassen
met bewoningsresten aangetroffen. Het is echter niet uitgesloten dat er in het plangebied
kleinere exemplaren van dergelijke crevassen onder latere komafzettingen begraven liggen.
Op basis hiervan geldt er een lage tot middelhoge verwachting op resten vanaf het
Neolithicum tot en met de Bronstijd. Voor de overstromingsvlakten geldt er een hoge
archeologische verwachting voor de IJzertijd tot en met de Late Middeleeuwen. In het
oosten van het plangebied is er een hoge verwachting op het aantreffen van een historische
watermolen. Hiervoor geldt er een hoge archeologische verwachting op een watermolen uit
de Nieuwe tijd.
Voor de overige delen geldt er een middelhoge archeologische verwachting. Het gaat hier
om het achterland van de stroomgordels van de Oude Rijn, het lager gelegen
veen(weide)gebied waar tot op heden nog geen vindplaatsen zijn aangetroffen.
Het veldwerk voor het inventariserende veldonderzoek is verricht in oktober. Hierbij zijn
42 handmatige grondboringen verricht met behulp van een Edelmanboor met een diameter
van 7 cm en een guts van 3 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot 0,3 m in de C-horizont en/of
tot een maximale diepte van 2 m beneden maaiveld. De boringen zijn gezet in een
lijnsegment van om de 20 meter op verschillende locaties met een hoge verwachting en
voor het overige deel van het plangebied is er een grid van 40 x 50 m gebruikt.
Uit het veldonderzoek is gebleken dat het plangebied bestaat uit een veengebied met in
sommige gevallen daarop komafzettingen van de Oude Rijn. Bij de aangetroffen
komafzettingen en het veen zijn geen indicaties van ophogingen of ontwatering
aangetroffen en zijn daardoor waarschijnlijk te nat geweest voor bewoning in het verleden.
Voor deze locaties kan de verwachting op archeologische resten worden bijgesteld naar
laag.
Daarnaast zijn er in een aantal boringen de voormalige (crevasse)geulen van de Oude Rijn
aangeboord. Over het algemeen komt de interpretatie overeen met de archeologische
beleidskaart van de gemeente Alphen aan den Rijn. Enkel ter hoogte van boring 122 en 123
lijkt deze monding iets anders te liggen aangezien er geen geulafzettingen zijn aangeboord
in deze twee boringen. Boring 124 kon helaas niet worden uitgevoerd.
In het huidige plangebied is in 2025 ook een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Enkele
werkputten bevinden zich nabij de boringen van het huidige onderzoek. De resultaten van
het booronderzoek komen grotendeels overeen met de resultaten van het
proefsleuvenonderzoek.
• In werkput 18 is tijdens het proefsleuvenonderzoek een crevassegeul aangetroffen. In
het verlengde van deze geul zijn boringen 102 en 103 uitgevoerd. Ter plaatse van deze
boringen zijn geulafzettingen aangetroffen. Waarschijnlijk zijn deze geulafzettingen
onderdeel van de crevassegeul aangetroffen in werkput 18.
• In werkput 3 zijn tijdens het proefsleuvenonderzoek oeverafzettingen aangetroffen.
Boringen 98 en 99 zijn op 3-15 meter ten noordwesten van werkput 3 uitgevoerd. Hier
zijn echter geen oeverafzettingen aangetroffen. Deze boringen zijn dus net ten westen
uitgevoerd van de oever aangetroffen in werkput 3.
• In werkput 5 van het proefsleuvenonderzoek is een opgebracht/verstoord pakket op
veen aangetroffen. Boringen 105 en 106 direct ten westen en direct ten oosten van
werkput 5 uitgevoerd. Hier is een vergelijkebare bodemopbouw aangetroffen met een
verstoord/opgebracht pakket op veen en komafzettingen.
Het stuk IJzertijd aardewerk dat is aangetroffen in combinatie met de donkergrijze (leef)laag
en mangaanresten zijn sterke indicatoren dat er mogelijk een vindplaats aanwezig is uit
deze periode ter hoogte van boring 120, 121 en 1010. De archeologische verwachting op
resten uit de IJzertijd – Romeinse tijd blijft hier hoog. Dit kan worden aangetroffen op een
diepte van 90 tot 100 cm onder maaiveld (2,55 tot 2,44 m –NAP).
Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt voor het
plangebied vervolgonderzoek aanbevolen. Geadviseerd wordt om een inventariserend
veldonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek uit te voeren ter hoogte van
boringen 120, 121 en 1010. Mogelijk kunnen er nog sleuven haaks op de (crevasse)geul
worden gezet om een beter idee van de opbouw hiervan te krijgen. Voorafgaand aan het
proefsleuvenonderzoek dient er een Programma van Eisen opgesteld te worden en te
worden goedgekeurd door de bevoegde overheid.
Selectieadvies bevoegd gezag
Het rapport is beoordeeld en goedgekeurd door de adviseurs archeologie van de
Omgevingsdienst Midden-Holland.