Laagland Archeologie heeft in juli 2022 een Inventariserend veldonderzoek - karterende fase uitgevoerd aan de Ochten sectie F nr2020 Cuneraweg te Ochten. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de bouw van een kerk.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocol SIKB KNA 4002.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Op basis van het voorgaande bureauonderzoek geldt er een hoge verwachting voor archeologische resten vanaf de Late IJzertijd tot en met Late Middeleeuwen. Het plangebied bevindt zich weliswaar nog net in een jongere ontginning (Late Middeleeuwen), maar ligt direct tegen een oude ontginning rondom Ochten die tenminste uit de Vroege Middeleeuwen moet dateren. Omdat het gebied ten westen op het historische kaartmateriaal vanaf begin 19e eeuw gekenmerkt wordt door geen bebouwing, afgezien van het erf net ten noorden van het plangebied, is de archeologische verwachting voor de Nieuwe tijd middelhoog.Algemeen is een intacte bodemopbouw aangetroffen bij het verkennend booronderzoek, bestaande uit oever-op-beddingafzettingen en oeverafzettingen, die zeer waarschijnlijk komafzettingen afdekken. Er zijn archeologische indicatoren aangetroffen. Van archeologisch belang zijn de archeologische indicatoren in de oeverafzettingen van boring 1, 2 en 6 zijn aangetroffen. Deze archeologische indicatoren daterend in de IJzertijd tot Late Middeleeuwen zijn wellicht aangetroffen rond een oud loopniveau.Het karterend booronderzoek heeft tot doel archeologische vindplaatsen op te sporen. Hiertoe zijn verspreid in het toegankelijke deel van het plangebied karterende boringen gezet. Relevante lagen van de boorkernen zijn gezeefd op archeologische indicatoren. In dit stadium is karterend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.Bij het karterend booronderzoek is een overwegend onverstoorde ondergrond aangetroffen bestaande uit oever-op-beddingafzettingen en oeverafzettingen. In een heel aantal boringen zijn laklagen aangetroffen in oeverafzettingen. De oeverafzettingen beginnen op 30 à 80 cm -mv (5,25 à 6,25 m +NAP). Dit niveau kan worden gezien als de bovenzijde waarop in potentie archeologische resten in-situ kunnen worden aangetroffen. De dikke A-horizont in boring 2, 4, 6, 8 en 11 representeert waarschijnlijk een opvulling. Verder is de ongeveer 70 cm dikke vulling op basis van de bijmengingen in de gestuite boring 7 een subrecente opvulling. Hetzelfde geldt voor boring 4 waar plastic in een 70 cm dikke humeuze bovengrond is aangetroffen. Op basis van archeologische indicatoren kunnen de vullingen in de boringen 1, 6 en 9 sporen uit de Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd representeren. Overal in de laklaag zijn archeologische indicatoren gevonden, bestaande uit wat houtskool, verbrande leem, bot en/of aardewerkfragmenten gevonden. Onder de laklaag van boring 9 zijn nog aardewerkfragmentjes. Deze aardewerkfragmentjes kunnen net als de aardewerkfragmenten die in de bovenliggende laklaag zijn aangetroffen gedateerd worden in de IJzertijd. In boring 11 in de oeverafzettingen op 90 cm -mv (5,76 m +NAP), ongeveer rond het niveau waarop in de meeste boringen de laklaag ligt, wat houtskool aangetroffen. Het niveau van 5,76 m +NAP is het ondiepste niveau binnen de zone waar de nieuwe kerk gebouwd zal worden, waar een mogelijk behoudenswaardige vindplaats is aangetroffen uit de IJzertijd. Vanaf dat niveau zijn mogelijk ook vindplaatsen te verwachten uit de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen.Het is gebruikelijk dat een bufferzone van minimaal 30 cm tussen diepte verstoring en top archeologische niveau wordt aangehouden. Om die reden wordt geadviseerd van een archeologisch vervolgonderzoek af te zien als bodemingrepen beperkt blijven tot 6,06 m +NAP (0,29 tot 0,60 m diepte onder het huidig maaiveld). Omdat de in de fundering verwerkte ventilatiekanalen boven het grondwater moeten liggen voor een goede beluchting zal het terrein worden opgehoogd. De dikte van deze ophoging is momenteel niet bekend. Onder de kerk komen heipalen te liggen tot op een aanzienlijke diepte. Door de toepassing van een archeologievriendelijk bouwplan conform “Handreiking archeologievriendelijk bouwen” (zie paragraaf 1.5) zal slechts een zeer lokale verstoring van de ondergrond op opleveren en dus van het archeologisch bodemarchief.Als de bodemingrepen dieper dan het niveau van 6,06 m +NAP zijn, afgezien dan van het toepassen van een archeologievriendelijk bouwplan, wordt op basis van de onderzoeksresultaten nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems).Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P).De omvang van het proefsleuvenonderzoek is sterk afhankelijk van de diepte van de bodemverstoringen die als gevolg van het plan zijn te voorzien. In het grootste deel van het plangebied wordt niet gebouwd en zijn alleen parkeerzones en groenvoorzieningen gepland. De dieptes van grondwerkzaamheden die daar zijn te verwachten zullen vermoedelijk beperkt zijn en niet leiden tot aantasting van de dieperliggende archeologische lagen.De implementatie van dit advies is in handen van de bevoegde overheid, de gemeente Neder-Betuwe. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, Margriet Stronkhorst, Omgevingsdienst Rivierenland.Reactie bevoegd gezag Namens gemeente Neder-Betuwe is regioarcheoloog Rivierenland akkoord met de resultaten en conclusies van dit onderzoek. Het besluit is genomen het selectieadvies uit het rapport (de aanbevelingen) in zijn geheel over te nemen. Bij het karterend onderzoek zijn indicatoren gevonden die de aanwezigheid en een betere ligging en duiding van een vindplaats hebben aangetoond. Laagland Archeologie heeft overtuigend onderzoek uitgevoerd waarbij afdoende bewijs is geleverd om vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven te rechtvaardigen, als bodemingrepen dieper dan 6,06 m +NAP zijn voorzien. Voor een proefsleuvenonderzoek is een door bevoegd gezag geaccordeerd PvE verplicht.