De locatie Zijlvesterweg 17 is in twee verschillende opgravingen onderzocht. Bij beide onderzoeken was een uitbreiding van de boerderij de aanleiding voor het onderzoek. De eerste opgraving vond plaats in 1993 en besloeg het oppervlak voor de nieuwe melkstal. Zes jaar later wilde men die stal uitbreiden en toen is de ondergrond voor dat nieuwe gedeelte ook onderzocht.
In totaal zijn er drie werkputten aangelegd.
In de bodemopbouw is de onderste kleilaag een kwelderlaag waarin veel zandlensjes voorkomen. Daarboven liggen vooral grijze of grijsgroene kleilagen. In verschillende profielen zijn ook één of twee vegetatiehorizonten waargenomen met daar tussen in een grijze kleilaag. Daarboven is een dikke bouwvoor aanwezig. Geen van deze kleilagen is humeus en mogelijk zitten we
te ver van de kern van de wierde om een van deze als wierde-ophogingslaag te bestempelen. Waarschijnlijk zijn het ’gewone’ kleiafzettingen uit de vroege middeleeuwen geweest, toen de zeespiegel weer steeg en over grote delen van het Groninger land klei werd afgezet.
Het opgegraven terrein ligt aan de rand van de wierde Kleiwerd. Het weiland voor de boerderij is het hoogste punt van de wierde en is ook beschermd als archeologisch rijksmonument.
In de jaren 1970 is de wierde via een booronderzoek onderzocht (Miedema 1983). Daarbij zijn enkele scherven uit de vroeg-Romeinse tijd (ca 1e eeuw na Chr.) aangetroffen. Voor de eerste opgraving was er de verwachting was dat er mogelijk nog sporen van die oudste bewoning van de wierde in de ondergrond aanwezig zouden zijn. Dat bleek maar ten dele zo te zijn. Er zijn wel twee greppels uit die periode aangetroffen, maar het aantal vondsten is zeer gering, slechts twee scherven. De hoeveelheid sporen en vondsten uit de late middeleeuwen (11e-14e eeuw) is vele malen groter. Bij de opgraving uit 1999 kwam wederom een greppel met mogelijk een datering in de Romeinse tijd aan het licht. Duidelijke wierde-ophogingslagen zijn er in de beide opgravingen echter niet aangetroffen.
Na die eerste bewoningsfase is de wierde mogelijk weer verlaten en pas vanaf de 11e eeuw is weer sprake van bewoning, gezien de grote aanwezigheid van laatmiddeleeuwse keramiekscherven uit deze periode. Die bewoning loopt dan door tot begin 14e eeuw. Sporen van een houten boerderij zijn op de opgravingslocatie niet aangetroffen, vermoedelijk stond die hoger op de
wierde, maar wel een sloot met bijhorende palenrij en enkele kuilen. In de late middeleeuwen was deze locatie (boerderij met landerijen) in bezit van het Benedictijner klooster Selwerd. Na de Reductie in 1594 vervielen de bezittingen van dit klooster aan de Provinciale Staten van Groningen. Vondsten ui de 15e en 16e eeuw zijn in de opgravingen erg schaars. Vermoedelijk is begin 17e eeuw de voorloper van of de huidige boerderij gebouwd. In de huidige boerderij is in 2004 een bouwhistorische verkenning uitgevoerd en uit archiefonderzoek blijkt dat de eerste bewoners hiervan al in 1632 genoemd worden. Deze boerderij is gebouwd op het vroegere kloosterbezit meer naar de rand van de wierde. Het oudste kaartbeeld met deze boerderij is de kaart van Teijsinga uit 1732 en daarop is een boerderij van het kop-hals-romptype afgebeeld,
die globaal overeenkomt met het huidige pand. Rond die boerderij loopt een gracht en aan de westzijde van de opgraving is daarvan een (gedempt) deel teruggevonden. Een eeuw later is de boerderij ook gekarteerd op de kadastrale minuut en dan blijkt de gracht aan de oostzijde deels gedempt te zijn. Uit deze periode stammen ook enkele kuilen met delen van runderskeletten en naast het dierlijk botmateriaal is er ook veel keramisch vondstmateriaal, een klein aantal metaal- en glasvondsten aangetroffen. Tussen deze vondsten zitten weinig bijzonderheden en ze passen alle zeer goed bij een huishouden op een boerderij.