ADC ArcheoProjecten heeft in november en december 2023 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd op de locatie Dorpsstraat 224 te Scherpenzeel. De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen sloop van de bestaande bebouwing gevolgd door de nieuwbouw van een appartementencomplex. Hiervoor is de aanvraag van een omgevingsvergunning noodzakelijk.
Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Uit de geraadpleegde aardwetenschappelijke bronnen blijkt dat het plangebied in de Gelderse Vallei ligt waar dekzandruggen voorkomen. Vanwege de ligging aan de voet van een dekzandrug geldt een middelhoge verwachting voor resten van jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum. Dergelijke vindplaatsen bestaan uit kleine jachtkampen en manifesteren zich als strooiingen van (bewerkt) vuursteen en houtskool en grondsporen in de vorm van haardkuilen. Omdat dergelijke resten relatief ondiep in de bodem aanwezig zijn is de kans groot, gezien de aanwezigheid van bebouwing en daaraan gerelateerde verstoring, dat deze verstoord zijn.
De relatief natte omstandigheden maakten het onderzoeksgebied vanaf het Neolithicum of de Vroege Bronstijd minder geschikt voor bewoning. Mogelijk raakte het zelfs overgroeid met veen, maar hierover bestaat geen zekerheid. De kans op de aanwezigheid van archeologische resten uit deze perioden wordt dan ook klein geacht.
Vanaf de 12e-13e eeuw werd de Gelderse Vallei vanaf de randen en de hoger gelegen dekzandruggen ontgonnen en werden nederzettingen gesticht. In deze periode ontstond ook de nederzetting Scherpenzeel. Het plangebied bevindt zich in de historische kern en kende op basis van het minuutplan reeds in het begin van 19e eeuw (of mogelijk eerder) bebouwing in de vorm van een woonhuis. Op grond hiervan moet rekening worden gehouden met archeologische resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) en de Nieuwe tijd. Eventuele resten zullen bestaan uit overblijfselen van funderingen, uitbraaksleuven, afvalkuilen en omgewerkte en/of opgebrachte lagen waarin losse vondsten aanwezig zijn. De resten kunnen bij de aanleg van de huidige bebouwing (deels) zijn verstoord.
Teneinde de in het bovenstaande beschreven verwachting te toetsen en aan te vullen is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Daarbij is vastgesteld dat de natuurlijke ondergrond uit dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden) bestaat. Het onverstoorde dekzand gaat op een diepte variërend van 75 tot 100 cm -mv via een scherpe grens over in een uit matig humeus zand bestaande bovengrond die brokken recent puin, plastic en plantenresten bevat.
In de top van het dekzand zijn geen sporen van bodemvorming (podzolering) aangetroffen. De middelhoge verwachting voor resten uit het Laat-Paleolithcum en Mesolithicum dient daarom naar een lage verwachting te worden bijgesteld. Het verkennend booronderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) en de Nieuwe tijd. Weliswaar is een omgewerkt pakket aangetroffen, maar dit op basis van het aanwezige vondstmateriaal als (sub)recent te interpreteren. Aangenomen wordt dat de bestaande bebouwing uit 1940 en de verschillende verbouwingen in 1976, 1981 en 1984 de bodem heeft verstoord. De hoge verwachting voor resten uit de uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) en de Nieuwe tijd dient daarom naar eveneens een lage verwachting te worden bijgesteld.