Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (19272.001) Hoek Helsinkilaan en Cambridgelaan te Utrecht

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten/sporen uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Laat-Neolithicum. Dit op basis van de ligging van het plangebied binnen een dekzandlandschap, op de flank van/overgang naar de ten noordoosten gelegen Utrechtse Heuvelrug, gedurende de periode vanaf het einde van het Weichselien tot zeker halverwege het Atlanticum (5000 jaar geleden). Dit dekzandlandschap vormde voor Jager-Verzamelaars (Steentijd) en Vroege-Landbouwers wellicht een geschikte (tijdelijke) bewoningslocatie ter plaatse van het plangebied. Een zeer recent uitgevoerd proefsleuvenonderzoek circa 400 meter ten oosten van het plangebied heeft niet geresulteerd in het aantreffen van resten en/of sporen in de top van de dekzandafzettingen. Circa 1,2 kilometer ten noordoosten van het plangebied zijn tijdens een opgraving wel resten en sporen aangetroffen van mesolithische Jagers-Verzamelaars en van neolithische boeren van de Stein-Vlaardingencultuur.

Voor de perioden vanaf de Bronstijd heeft het plangebied een lage verwachting. Vanaf de Bronstijd kreeg het plangebied namelijk een ligging in een steeds natter/drassiger wordend gebied, waarbij veenvorming plaatsvond. Aan het einde van de Late-Bronstijd ontstond de Zeist stroomgordel, als rivierloop van de Rijn, waarvan de begrenzing zich slechts enkele honderden meters ten zuidoosten van het plangebied bevindt. Op basis van het hoogtebeeld heeft het plangebied gedurende de actieve fase van deze stroomgordel, tussen 920 voor Chr. en 246 na Chr. (vanaf het einde van de Late-Bronstijd t/m de Romeinse tijd), waarschijnlijk meer een ligging ingenomen binnen een komgebied/komvlakte. Ook tijdens een recent uitgevoerde proefsleuvenonderzoek circa 400 meter ten oosten van het plangebied, zijn er geen archeologische resten en/of sporen aangetroffen in de klastische afzettingen die gesedimenteerd zijn tijdens de actieve fase van de Zeist stroomgordel. Nadat de Zeist stroomgordel was verlaten behield het plangebied zijn ligging in een vrij nat/drassig gebied en was voor bewoning minder geschikt, zo niet ongeschikt. Verder laat het geraadpleegde historisch kaartmateriaal geen aanwijzingen zien dat binnen het plangebied een historisch erf heeft gelegen.

Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) laten binnen het plangebied een bodemopbouw zien die grotendeels overeenkomt met wat verwacht werd op basis van het bureauonderzoek. De onderste aangetroffen type facies betreffen fijnzandige dekzandafzettingen. Ten opzichte van het maaiveld bevindt de top van de dekzandafzettingen zich op verschillende diepten ten opzichte van het huidige maaiveld, wat echter het gevolg is van de huidige inrichting van het plangebied en verschillende diktes van aan-/opgebrachte, dan wel teruggestorte grond (zowel binnen het graslandperceel en in vergelijking met omliggende groenstroken/bermen langs het bestaande wegenpatroon). Ten opzichte van NAP bevindt de top van het pakket dekzand zich in het zuidelijke, centrale en centraal-westelijke deel van het plangebied op een vrij horizontaal niveau, op circa 0,2/0,1 m -NAP. In het noordelijke en centraal-oostelijke tot noordoostelijke deel van het plangebied loopt dit niveau iets omhoog naar circa 0,1/0,2 m +NAP.

Juist in het noordelijke, centraal-oostelijke tot noordoostelijke deel van het plangebied zijn ook zwak tot vrij goed ontwikkelde (afgedekte) veldpodzolbodems bewaard gebleven, terwijl het in het zuidelijke, centrale en centraal-westelijke deel van het plangebied juist meer sprake van een beekeerd-/gooreerdbodems. Deze laatste type bodems duiden op vrijwel continu natte omstandigheden met hoge grondwaterstanden, waardoor podzolisatie als bodemvormend proces hier niet op gang is gekomen. Dit is wel (in enige mate) het geval in het noordelijke, centraal-oostelijke tot noordoostelijke deel van het plangebied, waar (enigszins) diepere grondwaterstanden zullen hebben geheerst. Ten aanzien van het paleodekzandlandschap lijkt er daarmee in noordelijke tot noordoostelijke richting binnen het plangebied sprake te zijn van een overgangszone van een dekzandvlakte naar meer een dekzandwelving. In het centraal-zuidelijke deel van het plangebied, ter plaatse van waar boring 17 is gezet, bevindt de top van het dekzand zich nog op wel een beduidend hoger niveau, op circa 0,45 m +NAP. Hier is ook een goed ontwikkelde veldpodzolbodem aangetroffen en kan duiden op een kleine dekzandkop.

Boven het dekzand bevindt zich een veenpakket, op een diepte tussen circa 115 en 175 cm -mv. Ten opzichte van NAP bevindt de top van dit veenpakket zich op een vrij horizontaal niveau, vanaf circa 0,5 m +NAP. Daarbij is sprake van een geleidelijke afname in dikte van circa 60 naar circa 45 cm in noordelijke tot noordoostelijke richting. Het voorkomen van klei in het bovenste gedeelte betreft waarschijnlijk enige influx van overstromingsklei tijdens het begin van de actieve fase van de Zeist stroomgordel (einde Late-Bronstijd), als de rivier tijdens hoogwater buiten zijn oevers trad (de noordelijke begrenzing van deze stroomgordel bevindt zich circa 300 meter ten zuiden van de zuidelijke begrenzing van het plangebied/700 meter ten zuidoosten van de zuidoostelijke begrenzing van het plangebied). Boven het veenpakket bevinden zich namelijk vrij zwaar getextureerde fluviatiele afzettingen (veelal matig tot sterk siltige, kalkloze klei). De zware textuur en de kalkloosheid duiden op komafzettingen. Voordat grootschalige ontginning en ingrepen in de waterhuishouding hadden plaatsgevonden (aanleg van sloten/beheersing van grondwaterstanden), zal het plangebied te maken hebben gehad met vrij natte/drassige omstandigheden. De moeilijk te bewerken komgronden zullen ook niet geschikt zijn geweest voor gewassenteelt.

Daarnaast blijkt de oorspronkelijke top van het pakket komafzettingen te zijn verstoord binnen een groot deel van het graslandperceel en zeker ter plaatse van de bermen/groenstroken in het meest noordelijke, westelijke en zuidelijke deel van het plangebied (langs de bestaande wegen/fietspaden) De bovenste meter van de aangetroffen bodemopbouw bestaat veelal deels uit cunet-/stabilisatiezand en sterk gevlekte lagen sterk zandige klei tot sterk kleiig zand, welke vaak vermengd zijn met fijne resten beton- en machinale baksteenpuin en plaatselijk kolengruis/sintels. Recente bodemverstorende ingrepen van beperkte diepte zijn waargenomen in het centraal-westelijke tot zuidwestelijke deel van het graslandperceel, tot circa de bovenste 40 cm. Hier kan plaatselijk nog gesproken worden van een 1Ap-horizont (huidige bouwvoor). Er geldt wel dat moderne verstoringen zich over het algemeen hebben beperkt tot het pakket komafzettingen. Alleen ter plaatse van de berm/groenstrook in de uiterst zuidelijke strook van het plangebied, langs de Toulouselaan, hebben diepgaande verstoringen/ontgravingen plaatsgevonden tot voorbij de oorspronkelijke top van de dekzandafzettingen (waarschijnlijk ten behoeve van de aanleg van nutsvoorzieningen). Hier ontbreekt een paleobodem die zich gevormd heeft in de top van de dekzandafzettingen (geen beekeerd-/gooreerdbodem aanwezig).

Conclusie Op basis van de aangetroffen bodemopbouw wordt geconcludeerd dat het potentiële archeologisch vondst- en sporenniveau in de top van de dekzandafzettingen nog intact aanwezig is. Vanwege het aangetroffen type bodemprofiel kan de middelhoge verwachting op het voorkomen van resten en sporen van Jagers-Verzamelaars en van Vroege-Landbouwers ((Laat-)Paleolithicum t/m Laat-Neolithicum) gehandhaafd blijven voor het noordelijke, centraal-oostelijke tot noordoostelijke deel van het plangebied en het terreindeel rondom boring 17. Hier zijn zwak tot vrij goed ontwikkelde (afgedekte) veldpodzolbodems aanwezig in de top van de dekzandafzettingen. Voor het zuidelijke, centrale en centraal-westelijke deel van het plangebied dient deze verwachting bijgesteld te worden naar een lage verwachting, omdat de aangetroffen (afgedekte) beekeerd-/gooreerdbodem duiden op vrij natte/drassige condities, ook in de perioden vóórdat het dekzandgebied overgroeit raakte met veen. Op basis van het bureauonderzoek was de verwachting voor de perioden vanaf de Bronstijd al laag en blijft laag. Daarbij is de top, zo niet een groot gedeelte van het bovenste pakket komafzettingen verstoord door moderne bodemingrepen, waarvoor verder een lage verwachting geldt vanaf de IJzertijd/Romeinse tijd. Er is hiermee binnen het plangebied alleen sprake van één potentieel archeologisch vondst-/sporenniveau in de top van de dekzandafzettingen, waar voor het noordelijke, centraal-oostelijke tot noordoostelijke deel van het plangebied nog een middelhoge verwachting overblijft.

Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het noordelijke, centraal-oostelijke tot noordoostelijke deel van het plangebied en het terreindeel rondom boring 17 een vervolgonderzoek te laten uitvoeren (zie kaart 18). Dit deel van het plangebied behoudt vooralsnog zijn middelhoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten en/of sporen uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Laat-Neolithicum, op basis van de aangetroffen bodemopbouw. Deze aanbeveling geldt specifiek wanneer hier bodemingrepen worden uitgevoerd dieper dan de te hanteren bufferzone van circa 30 cm boven de top van de dekzandafzettingen. Voor het noordelijke, centraal-oostelijke tot noordoostelijke deel van het plangebied zal dit gelden wanneer bodemingrepen worden uitgevoerd dieper dan circa 0,1 m +NAP en voor het terreindeel rondom boring 17 wanneer bodemingrepen worden uitgevoerd dieper dan circa 0,75 m +NAP. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een waardestellend proefsleuvenonderzoek, waarbij vooralsnog uitgegaan moet worden van één potentieel archeologisch vondst-/sporenniveau in de top van de dekzandafzettingen. Het doel hiervan dient te zijn de intactheid, spreiding, diepte en mate van verstoring van archeologisch kansrijke niveaus in kaart te brengen, eventuele vindplaatsen op te sporen, en op basis daarvan inzichtelijk te maken wat de consequenties zijn van de voorgenomen plannen op mogelijke archeologische resten. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.

Voor het zuidelijke, centrale en centraal-westelijke deel van het plangebied wordt verder geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Voor dit deel van het plangebied geldt op basis van de aangetroffen bodemopbouw een lage verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten en/of sporen uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Laat-Neolithicum.

Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. Ten aanzien van de vrij te geven delen van het plangebied kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten. Mochten hier tijdens graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Tevens dient melding te worden gemaakt bij de bevoegde overheid (Gemeente Utrecht, Afdeling erfgoed, team archeologie).

Besluit bevoegde overheid Op basis van de informatie van het verkennend booronderzoek is door de bevoegde overheid (gemeente Utrecht) besloten om door middel van een karterend booronderzoek met een grid van 20 x 25 meter vast te stellen of archeologische indicatoren in het plangebied aanwezig zijn. Hierbij dient gebruik gemaakt worden van een grote boordiameter (minimaal 15 cm) en er dient minimaal tot 50 cm in de top van het dekzand materiaal worden verzameld. De top van het dekzand dient in zijn geheel worden gezeefd op indicatoren, evenals de laatste centimeters van het veenpakket erboven. Op dit moment is nog niet helemaal duidelijk welke bodemingrepen in de noordelijke zone (ten noorden van de blauwe stippellijn op figuur 18) plaats gaan vinden. Het gebied wat in ieder geval in zijn geheel onderzocht dient te worden is het oranje vlak (bouwvlak) en het gebied dat is aangeduid als de perceelsgrens (blauw aangegeven) (zoals weergegeven op bijlage 4). Voor de zone die op de ontwerptekening roze omlijnd is (bouwterreingrens) geldt dat deze ook dient te worden meegenomen in het karterend onderzoek in zoverre deze ten noorden van de stippellijn op figuur 18 ligt.

Voor het gebied ten noorden van de stippellijn op figuur 18 dat buiten de bouwterreingrens (bijlage 4) ligt, geldt dat daar uitsluitend een karterend booronderzoek noodzakelijk is als daar dieper dan de top van het dekzand wordt ontgraven. Dat is naar verwachting vooral voor de aanleg van sloten en eventueel lokaal voor de aanleg van het moeras het geval. De ligging van deze sloten en de diepte daarvan is echter nog niet geheel bekend. Indien het wenselijk is om dit gebied geheel naar eigen inzicht in te richten en de dieptes van de sloten eventuele archeologische resten schaden, dient ook die zone door middel van een karterend booronderzoek worden onderzocht.

Naar aanleiding van telefonisch overleg met de bevoegde overheid (d.d. 10 januari 2023) is gesteld dat, wanneer zowel harde archeologische indicatoren (zoals antropogeen bewerkt vuur- en natuursteen, aardewerk, verbrand bot en verkoolde hazelnootdoppen) en zachte archeologische indicatoren (zoals ‘veel houtskool’) afwezig zijn, het plangebied kan worden vrijgegeven. Anders dient vervolgonderzoek te worden uitgevoerd.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/HXFZFL
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/HXFZFL
Provenance
Creator Broeke, ten, E.M.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, ten, E.M.; Econsultancy; Broeke, E.M. ten
Publication Year 2023
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, ten, E.M. (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 21963638
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem