(25501.001) Eindrapportage archeologisch vooronderzoek Spoorstraat (ong.) in Doetinchem

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden (Laat) Paleolithicum t/m Middeleeuwen. Deze verwachting is vooral gebaseerd op de veronderstelde ligging van het plangebied binnen her rivierduinlandschap en specifiek binnen een gebied van rivierduinruggen/-koppen met een dik plaggendek. Voor zowel Jagers-Verzamelaars als voor Landbouwers vormde deze landschappelijke eenheid een geschikte (tijdelijke) bewoningslocatie. De gunstige ligging van het plangebied als (tijdelijke) bewoningslocatie wordt ook duidelijk bevestigd door reeds uitgevoerd gravend onderzoek nabij het plangebied. Meest van belang is dat aangrenzend ten zuidoosten van het plangebied, ter plaatse van de bestaande ondertunneling van de Oostelijke Randweg, archeologische vindplaatsen zijn aangetroffen uit zowel de Steentijd, de Late Prehistorie als de Middeleeuwen. Alleen voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag, aangezien uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied vanaf de tweede helft van de 18e eeuw tot rond het begin van de tweede helft van de 20e eeuw onbebouwd is gebleven en er geen aanwijzingen zijn dat het plangebied tot een historisch erf heeft behoord. Het plangebied heeft vanaf in ieder geval de tweede helft van de 18e eeuw langdurig een gebruik gekend als bouwland/akkerland, als onderdeel van de oude bouwlandcomplexen die veelal binnen het rivierduinenlandschap rondom de historische kern van Doetinchem lagen. Wel heeft het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van resten en sporen uit de Tweede Wereldoorlog. Zowel de (geactualiseerde) archeologische vindplaatsen- en verwachtingskaart als de archeologische beleidskaart van de gemeente Doetinchem geven aan dat door het uiterst oostelijke deel van het plangebied, nabij de Rembrandtweg, een Duitse loopgraaf heeft gelopen/gelegen. Ook geven de resultaten van archeologisch gravend onderzoek uitgevoerd aangrenzend ten zuidoosten van het plangebied, ter plaatse van waar de ondertunneling is gerealiseerd, aanleiding dat er ook een loopgraaf in het zuidoostelijke deel van onderhavig plangebied heeft gelopen/gelegen. Vanaf 1961 tot begin 2013 was de locatie in gebruik als kippenslachterij Esbro. Gedurende deze jaren hebben verspreid over het plangebied vele/diverse bouwwerkzaamheden plaatsgevonden, en heeft er voornamelijk fabrieks- en kantoorbebouwing gestaan.

Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, gecombineerd verkennende en karterende fase) laten zien dat in het centraal-noordwestelijke, centraal-noordelijke, centraal-zuidelijke en zuidelijke deel van het plangebied diepgaande bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd. Tot een diepte van gemiddeld bijna 2 meter beneden het huidige maaiveld komen geroerde/verstoorde lagen grond en cunet-/stabilisatiezand of aanvulzand met hieronder een scherpe overgang direct naar de C-horizont.

In het noordwestelijke, noordelijke, zuidwestelijke en oostelijke deel van het plangebied bestaat gemiddeld de bovenste meter van de bodemopbouw uit geroerde/verstoorde lagen grond en cunet-/stabilisatiezand of aanvulzand en is hieronder juist een merendeels intacte hoge enkeerdgrond aanwezig. Deze bestaat uit een intact restant van een plaggendek, een fossiele akkerlaag/cultuurlaag en de restanten van een verwerings/verbruinings-Bws-horizont en/of direct een overgangs-BC-horizont. Rivierduinen worden meestal gekenmerkt door vorstvaaggronden, welke feitelijk niet veel verschillen van zogenaamde holtpodzolgronden (welke op hun beurt veelal aangeduid worden als bruine bosgronden). Het lokale brongebied van deze rivierduinafzettingen betreft vooral verstoven rivierzanden uit de rivierterrasvlakten, welke veelal mineralogisch rijkere zanden betreffen, waardoor vooral verwering/verbruining als bodemvormend proces optreed en niet zozeer podzolisatie. Het archeologisch potentiële sporenniveau lijkt binnen het noordwestelijke, noordelijke, zuidwestelijke en oostelijke deel van het plangebied nog intact aanwezig te zijn. Archeologische sporen, indien aanwezig, zullen direct zichtbaar zijn onder de fossiele akkerlaag/cultuurlaag, vanaf circa 150/170 cm -mv.

Bij een zestal verspreid over het plangebied gelegen boringen (zie kaart 17) en waar sprake is van een (deels) intacte oorspronkelijke bodemopbouw, zijn, vooral in de fossiele akkerlaag/cultuurlaag archeologische indicatoren aangetroffen. Het gaat om kleine fragmenten handgevormd aardewerk (niet nader dateerbaar dan Late - Midden IJzertijd t/m Romeinse tijd, circa 300 v. Chr. tot 400 n. Chr.). Ook is een Pingsdorf bodemfragment (standring) van een pot of kan aangetroffen in het plaggendek, met een datering in de Vroege Middeleeuwen D/Late Middeleeuwen A (900 tot 1200 n. Chr.). De aangetroffen archeologische indicatoren duiden op de mogelijke aanwezigheid van een archeologische vindplaats (waar nog sprake is van een merendeels intacte oorspronkelijke bodemopbouw), welke wellicht te relateren is aan de vindplaats die aangetroffen is ter plaatse van de nabijgelegen ondertunneling van de Oostelijke Randweg.

Conclusie Op basis van de geleverde onderzoeksinspanning en de daarbij aangetroffen archeologische indicatoren, wordt geconcludeerd dat de kans reëel blijft dat er sprake is van een archeologische vindplaats in het noordwestelijke, noordelijke, zuidwestelijke en oostelijke deel van het plangebied. Zeker het vondstmateriaal in de fossiele akkerlaag/cultuurlaag zal representatief zijn voor het eventueel aanwezige sporenniveau die meest duidelijk zichtbaar wordt verwacht direct onder de fossiele akkerlaag/cultuurlaag, op een diepte vanaf circa 150/170 cm -mv. Ook sporen van Duitse loopgraven uit de Tweede Wereldoorlog kunnen in het zuidoostelijke tot oostelijke deel van het plangebied worden aangetroffen, welke zullen aansluiten op de loopgraven aangetroffen tijdens de opgraving voor het tracé van de Oostelijke Randweg.

Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om in het noordwestelijke, noordelijke, zuidwestelijke en oostelijke deel van het plangebied (zie kaart 17) een vervolgonderzoek te laten uitvoeren indien hier bodemingrepen gaan plaatsvinden die dieper reiken dan 100 cm -mv. Indien dit het geval is, is het advies het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Voor het proefsleuvenonderzoek (IVO-P) dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze het onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit PvE dient te worden beoordeeld door de bevoegd overheid (gemeente Doetinchem).   Indien bodemingrepen niet dieper gaan dan 100 cm -mv, is het advies geen om geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Er is dan sprake van behoud in situ van de mogelijk aanwezige archeologische vindplaats, waarbij een bufferzone en conserveringslaag van minimaal 30 cm dikte wordt aangehouden (veronderstelde gedeelte plaggendek dan wel een gedeelte geroerde grond/aanvulzand) boven de potentiële vondsten- en sporenlaag.

Voor het centraal-noordwestelijke, centraal-noordelijke, centraal-zuidelijke en zuidelijke deel van het plangebied (zie kaart 17) wordt de aanbeveling gedaan om geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Voor deze delen van plangebied geldt dat de natuurlijke bodemopbouw verstoord is tot in de oorspronkelijke top van de C-horizont en dat het archeologisch potentiële vondst- als sporenniveau (vrijwel) geheel zijn verstoord/vergraven.

Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. Ten aanzien van de vrij te geven terreindelen (centraal-noordwestelijke, centraal-noordelijke, centraal-zuidelijke en zuidelijke deel van het plangebied) kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Het is verder raadzaam om ook de gemeente Doetinchem op de hoogte te stellen.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/HH97TC
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/HH97TC
Provenance
Creator Broeke, E.M. ten
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, E.M. ten; Econsultancy
Publication Year 2025
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, E.M. ten (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 14409039
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem