In opdracht van &Ponjé heeft BAAC een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in het plangebied Oudestraat 82-84 te Sprang-Capelle, gemeente Waalwijk. De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bouw van acht patiowoningen in het plangebied waarbij een gerede kans bestaat dat archeologische waarden vernietigd zullen worden.Voorafgaande aan het proefsleuvenonderzoek heeft in 2022 een bureau- en verkennend booronderzoek plaatsgevonden. In het bureauonderzoek is vastgesteld dat het plangebied geen tot een gematigde archeologische verwachting heeft (beleidscategorie 4, 5 en 6). Uitzondering vormt het zuidwesten, waar een gedeelte van het plangebied in een zone met een archeologische waarde ligt (categorie 2). Dit betreft de molen die hier net buiten het plangebied is gesitueerd. Het vooronderzoek heeft aangetoond dat het plangebied mogelijk de resten van een bijgebouw van de molen of de molenaarswoning aanwezig zijn. Het advies was dan ook om nader archeologisch onderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek in het plangebied uit te laten voeren.Het proefsleuvenonderzoek vond plaats op 7 mei 2024. Bij het proefsleuvenonderzoek zijn verspreid over het plangebied zeven relevante archeologische sporen aangetroffen: twee paalsporen, vier greppels en één (uitbraak)kuil.Binnen het plangebied is sprake van een eenduidige bodemopbouw van een gereduceerde C-horizont afgedekt door een sterk verroerd en humeus dek. In het overgrote deel van het onderzoeksgebied is de bodem verstoord geraakt bij sloopwerkzaamheden. De meeste recente sporen zijn te herleiden tot de recente sloop en/of de moderne bebouwing, zoals in werkput 1, 2 en 3. De aangetroffen archeologische sporen zijn onder de moderne bovengrond aangetroffen.In werkput 2, 4 en 5 zijn perceelgreppels aangetroffen. Deze greppels komen overeen met bekende perceelsgrenzen op het kadastrale minuutplan uit het begin van de 19e eeuw. In werkput 4 is een smalle greppel met twee paalkuilen aangetroffen, beide uit de nieuwe tijd. Deze sporen hangen niet samen met een structuur en lijken om sporen te gaan als weidepalen of andere sporen van landinrichting. In werkput 3 is (uitbraak)kuil na het verwijderen van het muurwerk opgevuld met huisvuil. Het huisvuil dateert uit de 18e eeuw. De opgevulde (uitbraak)kuil ligt op een locatie buiten de bekende 19e-eeuwse bebouwing en wijst op een mogelijke voorganger uit de 17e of 18e eeuw. Omdat er geen muurwerk is aangetroffen kan dit niet aan een structuur worden gekoppeld. Het lijkt erop dat de gehele bebouwing is gesloopt ten behoeven van de toenmalige nieuwbouw.Met het proefsleuvenonderzoek is één vindplaats aangetroffen. Als gekeken wordt naar de waarderingstabel, geeft de lage score op zowel de fysieke als de inhoudelijke kwaliteit geen aanleiding om vindplaats 1 te behouden.Op basis daarvan is het advies van BAAC dan ook om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen werkzaamheden. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. Het selectieadvies dient beoordeeld te worden door de bevoegde overheid wat uiteindelijk leidt tot een selectiebesluit. Hoewel getracht is een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethoden, kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten in de gebieden waarvoor geen vervolgonderzoek wordt aanbevolen. BAAC wil er daarom op wijzen dat men bij bodemverstorende activiteiten alert dient te zijn op de aanwezigheid van archeologische waarden (zoals vondstmateriaal en grondsporen). Bij het aantreffen van deze waarden dient men hiervan melding te maken bij het Ministerie van OC&W (in de praktijk de RCE, Omgevingswet afdeling 19.2).