Laagland Archeologie heeft in september 2023 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - karterende fase uitgevoerd aan de Burgemeester Houtkoperweg 14b te Lienden. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom de nieuwbouw van een woning.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Het uiterst noordelijke plangebied zich op een stroomgordel, terwijl de rest op een oeverwal ligt volgens de geomorfogenetische kaart. De zuidelijke helft van het plangebied bevindt zich net binnen het zoekgebied Romeinse Limesweg (met bewoningszone). Op de paleogeografische kaart van de Rijn-Maas delta ligt het plangebied in een overstromingsvlakte (oeverafzettingen en/of komafzettingen) ongeveer waar deze aan verschillende stroomgordels grenst. Direct ten noorden van het plangebied ligt de Ingen stroomgordel die actief was vanaf ongeveer 750 voor Chr. tot 35 na Chr.; Vroege IJzertijd tot vroeg-Romeinse tijd. Vanaf die tijd lag het plangebied in de directe invloedsfeer van stroomgordels. Verder stond het plangebied sterk onder de invloed van de Mars-Oude Rijn en de Lienden stroomgordels die respectievelijk actief waren vanaf 35 tot 750 na Chr.; vroeg-Romeinse tijd tot Vroege Middeleeuwen en vanaf 135 tot 1624 na Chr.; Vroeg-Romeinse tijd tot de Vroege Nieuwe tijd. Het plangebied was waarschijnlijk vanaf de IJzertijd tot nu bewoonbaar. In de periode vanaf het Midden-Neolithicum tot Bronstijd lag het plangebied niet nabij stroomgordels en maakte waarschijnlijk deel uit van een komgebied, terwijl het plangebied in het Laat-Mesolithicum in de onmiddellijke nabijheid van een stroomgordel moet hebben gelegen. Waarschijnlijk was de omgeving van het plangebied bewoonbaar vanaf het Laat-Paleolithicum tot Vroeg-Neolithicum.De archeologische verwachting binnen de verwachte diepte van de bodemingrepen is niet relevant voor archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum. Voor resten vanaf het Laat-Mesolithicum tot Bronstijd liggen mogelijk binnen het bereik van de bodemingrepen. Omdat hierover in wezen weinig bekend is, is de archeologische verwachting voor die perioden middelhoog. Omdat in de directe omgeving van het plangebied archeologische resten bekend zijn vanaf de IJzertijd is de archeologische verwachting hoog voor alle perioden vanaf de IJzertijd. Afgezien dan voor de Nieuwe tijd omdat er op basis van historisch geen bebouwing aanwezig was binnen het plangebied voor 1961.Het karterend booronderzoek heeft tot doel archeologische vindplaatsen op te sporen. Hiertoe zijn verspreid in het toegankelijke deel van het plangebied karterende boringen gezet. Relevante lagen van de boorkernen zijn gezeefd op archeologische indicatoren. In dit stadium is karterend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.Er is een overwegend onverstoorde bodemopbouw aangetroffen. Het lijkt erop dat bij een catastrofale dijkdoorbraak het overgrote deel van het plangebied is geërodeerd is en is afgedekt met overslaggronden. Alleen in boring 5 lijkt het erop dat deze erosie minimaal was en dat de oorspronkelijk aanwezige oude woongrond niet afgedekt is geraakt met overslaggronden. Deze overslaggronden die afkomstig zijn van de Mars-Oude Rijn stroomgordel, moeten niet lang voor 1624 na Chr. zijn afgezet. Deze overslaggronden dekken in boring 3 en 4 een laklaag (Ab-horizont), die uiterlijk overeenkomt met de oude woongrond in boring 5. Er zijn veel archeologische indicatoren aangetroffen bestaande uit houtskool, aardewerkfragmentjes en fosfaatvlekken. Het gevonden aardewerk bestaat voornamelijk uit handgevormd aardewerk dat in de IJzertijd te dateren Deze aardewerkfragmentjes zijn voornamelijk in een met overslaggronden afgedekte laklaag en de onderste subhorizont van een oude woongrond gebonden. Verder zijn er kleinere of grotere aardewerkfragmenten aangetroffen in de A-horizont en de overslaggronden (secundaire ligging). De fragmenten uit de A-horizont en overslaggronden zijn waarschijnlijk zonder context en zijn om die reden weinig relevant. De diepte waarop de laklaag (Ab-horizont) ligt is 90 a 100 cm -mv (5,60 a 5,67 m +NAP), terwijl de onderste subhorizont van de oude woongrond in boring 5 op 50 cm (6,09 m +NAP) ligt. Verder zijn op grotere diepte in de oeverafzettingen en diepe laklaag van boring 4 houtskoolspikkels aangetroffen als archeologische indicator.Omdat de voorziene nieuwbouw zal worden onderkelderd worden de waarschijnlijk aanwezige vindplaatsen bedreigd.Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 IVO (landbodems).Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P).We adviseren in het bestemmingsplan een aanduiding omtrent archeologie op te nemen.De implementatie van dit advies is in handen van de gemeente Buren, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente, Omgevingsdienst Rivierenland.Reactie namens bevoegd gezag Namens gemeente Buren is regioarcheoloog Rivierenland akkoord met de resultaten en conclusies van het onderzoek. Het selectieadvies om nader onderzoek te doen door middel van proefsleuven op de locatie van de nieuwe woning is overgenomen. Voor het proefsleuvenonderzoek is een vooraf door de archeologisch deskundige namens gemeente Buren getoetst en geaccordeerd programma van eisen verplicht.