Gespecificeerde archeologische verwachting
Voor het plangebied/tracé geldt een paleogeografische ontwikkeling waarbij gedurende de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m het Laat-Neolithicum sprake was van een dekzandlandschap, met ter hoogte van het centraal-oostelijke deel van het plangebied/tracé een beekdal, waar de huidige rivierloop van De Tsjonger ligt. Dit dekzandlandschap vormde tijdens deze perioden een geschikt gebied voor het ontplooien van (tijdelijke) bewoningsactiviteiten door jagers-verzamelaars en vroege-landbouwers. Hierop kunnen vuursteenvindplaatsen/nederzettingsresten aanwezig zijn, waarbij de meest kansrijke plekken de zandkoppen betreffen, met name de gepodzoleerde. Als het zand namelijk voldoende lang droog geweest is voor podzolering, is het doorgaans ook geschikt geweest voor bewoning. Tevens konden langs het beekdal van waar de huidige rivierloop van De Tsjonger ligt specialistische activiteiten worden ontplooid, waardoor zogenaamde beekdalgerelateerde resten in beekdalafzettingen kunnen worden verwacht, maar vaak niet meer dan puntlocaties vormen (denk aan jacht op wild, gebruik van visfuiken in het beekdal). Archeologische resten uit de Steentijd zullen in de top van het dekzand vooral uit houtskoolspikkels bestaan. Dergelijke houts-kooldeeltjes komen gewoonlijk in een ruime spreiding rond steentijdvindplaatsen voor. Tevens dient rekening te worden gehouden met resten van vuursteenbewerking. Deze resten bestaan dan uit vuursteensplinters of afslagen. Enkele prospectieve onderzoeken (booronderzoeken) uitgevoerd langs het plangebied/tracé hebben indicatoren opgeleverd van mogelijke Steentijdvindplaatsen. Ter hoogte van Bantega, waar het centraal-oostelijke deel van het plangebied/tracé doorheen loopt, zijn tijdens een opgraving vele vuursteenartefacten als ook een aantal haardkuilen aangetroffen.
Vanaf waarschijnlijk het Midden-Neolithicum vernatte het gebied dermate dat de eerste hoogveenvegetaties tot ontwikkeling kwamen. Dit hoogveen breidde zich steeds verder uit, waardoor waarschijnlijk in de loop van het Laat-Neolithicum het plangebied/tracé alleen nog kleine gebieden met hoger gelegen loofbos (hoger gelegen dekzandkopjes/-ruggen) doorsneed, naast gebieden met elzenbroekbos (dekzandwelvingen) en hoogveengebieden (dekzandvlakten/-laagten en voormalige beekdalen). Tijdens de perioden van de Bronstijd t/m de Vroege-Middeleeuwen zal sprake zijn geweest van een uitgestrekt hoogveengebied/veenmoeras, waardoor voor deze archeologische perioden het plangebied/tracé ongeschikt zal zijn geweest voor bewoning.
Het hoogveen in de omgeving van Lemmer is tussen de 11e en 13e eeuw ontgonnen. Deze ontginningen vonden veelal plaats vanuit veenriviertjes, zoals De Tsjonger. Er ontstonden in het veenontginningsgebied kleine dorpen, welke vaak als streekdorpen of wegdorpen worden aangeduid. Het plangebied/tracé loopt door verschillende van deze kleine dorpen, gekenmerkt door lintbebouwing/boerenerven langs een enkele doorgaande weg. Veelal zijn de erven ontwikkeld als huisterpjes (opbrengen van terplagen/terpgrond, waarop werd gebouwd). Archeologische resten en sporen uit de perioden Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen daarmee vooral worden verwacht ter hoogte van waar het plangebied/tracé door streekdorpen/wegdorpen loopt (zoals Oosterzee-Buren, Oosterzee-Gietersebrug, Echten, Echtenerbrug, Bantega, Langelille, Schoterzijl en Slijkenburg). Sporen/structuren bestaan dan uit funderingen, houten palen, paal-kuilen, water- en of beerputten en sloten. Deze kunnen worden aangetroffen onder de huidige bouwvoor en kunnen tot grote diepte doorlopen. Vondstmateriaal kan bestaan uit aardewerk, glas, metaal, hout en bouwkeramiek (zoals bakstenen, plavuizen en dakpannen). Deze worden vooral verwacht in opgebrachte terplagen/terpgrond, maar kunnen ook voorkomen in de top van het veendek en langs de zuidelijke delen van het plangebied/tracé mogelijk in de top van een kleidek.
Lemmer wordt in het begin van de 14e eeuw genoemd, maar nog eerder, in 1228, komt het onder de naam Lenna voor onder de stukken van de bisschop van Aartsbisdom Utrecht. Het ontstaan van Lemmer is te relateren aan de ligging langs de voormalige Zuiderzee, welke rond 800 n. Chr. (Vroege-Middeleeuwen) is ontstaan en zich steeds verder uitbreide. Rond 1600 had de Zuiderzee haar grootste omvang bereikt en lag deze vrijwel direct ten zuiden van het westelijke/centraal-zuidelijke deel van het plangebied/tracé. Mogelijk dat langs de zuidelijke delen van het plangebied een kleidek aanwezig boven het (mogelijk deels verslagen) veendek, ten gevolgde van overstromingen/stormen. Het dorp Lemmer groeide geleidelijk als nederzetting/havendorp bij de uitmonding van de binnenwateren in de Zuiderzee, als uitgelezen plaats voor koop- en ambachtslieden. Ter bescherming van overstromingen/stormen werden dijklichamen opgeworpen, niet alleen langs de (zuidzijde van de) historische dorpskern van Lemmer maar ook langs de kustlijn van de voormalige Zuiderzee. Lemmer en omgeving is onderhavig geweest aan diverse oorlogshandelingen. Het werd door de Spanjaarden tijdens de Tachtigjarige Oorlog, in 1581 veroverd. Door de Statentroepen is getracht in 1672 Lemmer te bezetten, maar is niet gelukt. Lemmer bloeide als havenlocatie verder op met name door de vele oorlogen die plaatsvonden tijdens de 17e en 18e eeuw. Zo landden er in 1799 Britse troepen in Lemmer ten tijde van de zogenaamde Tweede Coalitieoorlog, om het op te nemen tegen Nederlandse patriotten die de Bataafse Republiek hadden uitgeroepen, welke onder Franse invloed stond. Het dorp heeft daarbij te lijden gehad onder de vele Engelse beschietingen, waarna Lemmer ook door de Britten werd ingenomen. Lemmer groeide tijdens de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw uit tot een van de belangrijkste vissersplaatsen van Nederland.
Binnen de historische dorpskern van Lemmer worden archeologische resten en sporen/structuren uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd verwacht in een dikker pakket aan oude ophogingslagen en de verwachting is zeer hoog. Hierbij kan sprake zijn van meerdere archeologisch niveaus. Er kunnen sporen/structuren worden verwacht van zowel hout- als steenbouwfases. Ook kunnen nog resten van militaria uit de periode 16e tot 18e eeuw worden aangetroffen. Ook bevinden delen van het plangebied/tracé binnen de bebouwde kom van Lemmer en het deel langs de Grietenijdijk (ten oosten van de bebouwde kom van Lemmer) zich op dijklichamen, welke op gedetailleerd kaartmateriaal uit het begin van de 19e eeuw worden aangegeven. Hier kunnen lagen/ophogingen worden aangetroffen gerelateerd aan mogelijk verschillende dijkfases/fases van dijkopbouw.
Conclusie
Het bureauonderzoek toont aan dat er zich in het plangebied/tracé mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden. Er kunnen twee mogelijke vondstniveaus aanwezig zijn. In de top van het Pleistocene dekzand, als onderste potentieel vondstniveau, kunnen Steentijdvindplaatsen worden aangetroffen, waarbij de meest kansrijke plekken de zandkoppen betreffen. Beekgerelateerde resten kunnen nog worden aangetroffen langs het beekdal van waar de huidige rivierloop van De Tsjonger ligt. Het bovenste vondstniveau betreft mogelijk aanwezige resten en sporen uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd, gekoppeld aan de veenontginningen van het gebied. Het gaat vooral om erven die zich ontwikkeld hebben als huisterpjes en vooral worden verwacht ter hoogte van waar het plangebied/tracé door streekdorpen/wegdorpen loopt. Voor het gedeelte van het plangebied/tracé binnen de historische dorpskern van Lemmer (ook aangeduid als archeologisch waardevol gebied) geldt een zeer hoge verwachting voor de perioden Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd, waarbij sprake kan zijn van resten meerdere hout- als steenbouwfases binnen een dikker pakket van oude ophogingslagen (mogelijk meerdere archeologisch niveaus). Tevens dient voor delen van het plangebied/tracé binnen de bebouwde kom van Lemmer en het deel langs de Grietenijdijk (ten oosten van de bebouwde kom van Lemmer) rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van lagen/ophogingen gerelateerd aan een dijklichaam.
Advies
Geadviseerd wordt binnen het plangebied/tracé een inventariserend veldonderzoek door middel van een karterend booronderzoek (KNA protocol 4003, IVO-K) te laten uitvoeren. Omdat het plangebied/tracé een lijnvormig element betreft, wordt geadviseerd de boringen in één boorraai te zetten over de hartlijn van het geplande kabeltracé, en met een afstand van 25 meter tussen de boringen. De exacte locatie van het geplande kabeltracé, als ook waar elektriciteitskabels zullen worden aangelegd in een open ontgraving en waar middels gestuurde boringen, dient eerst door de initiatiefnemer te worden bepaald. Door middel van het booronderzoek wordt inzicht verkregen in de toestand van het bodemprofiel en de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen (die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen). Van het opgeboorde materiaal dient de laag/dienen de lagen waarin archeologische indicatoren meest waarschijnlijk kunnen worden verwacht, tevens te worden doorzocht op archeologische indicatoren door het te zeven met behulp van een zeef met een maaswijdte van 4 mm. Het zeefresidu dient geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. Door middel van het karterend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied/tracé archeologische resten in situ te verwachten zijn.