Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (15340.001) Mussenhorstweg 2a te Wehl

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachtingOp basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied en lage tot middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden (Laat)-Paleolithicum t/m Middeleeuwen. Deze verwachting is gebaseerd op de veronderstelde ligging van de noordoostelijke helft van het plangebied op een hoge rivierterrasrest ligt en de zuidwestelijke helft van het plangebied binnen een laag gelegen rivierterrasvlakte. Over het algemeen zal het plangebied niet echt een gunstige bewoningspositie hebben ingenomen, zeker niet de zuidwestelijke helft van het plangebied binnen de laag gelegen rivierterrasvlakte. Het hoge rivierterrasrest vormde wellicht een iets betere (tijdelijke) bewoningslocatie voor Jagers-Verzamelaars ((Laat-)Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum) en Landbouwers (vanaf het Laat-Neolithicum), waar de natuurlijke waterhuishouding wellicht voldoende was voor beakkering. Hier zijn ook al diverse archeologische vindplaatsen aangetroffen, voornamelijk nederzettingsterreinen daterend vanaf de IJzertijd. Het Pleistocene rivierterrasgebied ten oosten van Wehl, waar het plangebied binnen ligt, vormde waarschijnlijk een te nat gebied (zeer vochtige gronden) dat minder geschikt was voor bewoning. Ook geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat dit gebied voor zeer lange tijd nog woeste gronden betrof, gelegen buiten de oude bouwlandcomplexen. Pas met de grootschalige ontginning rond het begin van de 19e eeuw ontstond het erf aan de Mussenhorstweg. Het plangebied bleef in agrarisch gebruik. Voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting dan ook laag.Resultaten inventariserend veldonderzoekDe resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) laten een verstoorde bodemopbouw zien tot een diepte van gemiddeld 60 cm -mv, waarbij door voorheen agrarisch gebruik en diepploegwerkzaamheden een zogenaamde gebroken grond is ontstaan. Of het pakket overstromingsklei ter plaatse van het plangebied van voldoende dikte is geweest zodat er voorheen sprake was van een oude rivierkleigrond is de vraag. Gezien de mate van klei in het gediepploegde deel van de bodemopbouw is het pakket overstromingsklei van zeer beperkte dikte geweest. In een gebied met vrij natte/drassige condities zal eerder sprake zijn geweest van een beek- of gooreerdgrond binnen een landschappelijke ligging dat beter aangeduid kan worden als een dekzandvlakte. Ook met de huidige/gereguleerde grondwaterstanden heeft het plangebied te maken met periodiek relatief ondiepe grondwaterstanden, gezien het voorkomen van roestvlekken direct in de onverstoorde 1C-horizont. Ook komen er in het gediepploegde deel van de bodemopbouw veel brokken/restanten van ijzerconcreties voor, duidend op het in het verleden voorkomen van een oerlaag die kapot is geploegd. De oorspronkelijke top van de dekzandafzettingen is in ieder geval in sterke mate verstoord. Er is in alle boringen onder het ver-storingsniveau nog een laag dekzand aanwezig, tot een diepte van minimaal 95 en maximaal 140 cm -mv. Onder het pakket dekzand ligt vanaf gemiddeld 120 cm -mv lichtgrijsbruin tot grijs gekleurd, deels zwak grindig, matig grof tot zeer grof zand, dat tevens slecht gesorteerd is en scherp aanvoelt (2C/2Cr-horizont). Dit betreffen vlechtende rivierterrasafzettingen.De overgang van dekzand naar rivierzand ligt in de boringen 2, 8 en 10 (rond 11,1 m +NAP) op een iets hoger niveau ten opzichte van NAP dan de overige boringen (rond 10,9 m +NAP), waardoor het uiterst noordelijke deel van het plangebied op een iets hoger gelegen rivierterrasrest ligt. Het hoogteverschil van het maaiveld lijkt verder vooral te liggen in de variërende diepte van het pakket dekzand en dat er binnen het huidige boerenerf ophoging heeft plaatsgevonden met name door het aanbrengen van een laag gebroken puin en betonverhardingen. In zijn algemeenheid laten de boringen zien dat het plangebied in een gebied heeft gelegen waar, voordat grootschalige ontginning plaatsvond, sprake was van natte/drassige condities en dat mede hierdoor minder geschikt, zo niet ongeschikt was als bewoningslocatie. Restanten van de van nature gevormde bodemopbouw zijn verder niet aangetroffen. Op grond van de gezette boringen is binnen het gehele plangebied het archeologisch potentiële vondst- als sporenniveau aangetast, zo niet volledig verstoord/vergraven. Er zijn verder ook geen archeologische indicatoren aangetroffen.ConclusieGeconcludeerd wordt dat er op basis van de resultaten van het booronderzoek er geen aanwijzing zijn om restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een lage tot middelhoge verwachting gold voor de perioden (Laat)-Paleolithicum t/m Middeleeuwen, kan dan ook worden bijgesteld naar geen verwachting.AdviesOp grond van de al in sterke mate aangetaste/verstoorde bodemopbouw binnen het plangebied en het verder ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden (geen archeologische resten aangetroffen in het zeefresidu van opgeboord zand/versneden en verbrokkelde klei), adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden.Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).

Date Accepted: 25-11-2021

Date Accepted: 2021-11-25

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/dans-zbr-de4x
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/dans-zbr-de4x
Provenance
Creator EMILE ten Broeke
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor E.M. Broeke, ten; EMILE ten Broeke (Econsultancy); Econsultancy
Publication Year 2021
Rights DANS Licence; info:eu-repo/semantics/openAccess; https://doi.org/10.17026/fp39-0x58
OpenAccess true
Contact E.M. Broeke, ten (Econsultancy)
Representation
Resource Type Dataset
Format text/xml; application/pdf
Size 10839; 8496278; 10915; 1049; 4359
Version 1.0
Discipline Humanities