's-Hertogenbosch. Oud Empel. Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven

DOI

Tijdens dit inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven is op een drietal toekomstige bouwlocaties in de dorpskern van Oud Empel onderzoek verricht. Het onderzoeksgebied ligt op de zuidelijke rand van het Nederlandse rivierengebied. Het dorp ligt langs en op een dijk die is aangelegd op een oeverwal. Tijdens het onderzoek werd een prehistorische restgeul aangetroffen ten zuiden van de oeverwal, ongeveer op de grens tussen oeverwal en komgebied. In de top van de beddingafzettingen werden krassporen van een eergetouw aangetroffen. Zeer waarschijnlijk dateren de sporen uit de IJzertijd. Bewoningssporen uit de IJzertijd werden niet aangetroffen dit komt deels doordat de top van de oeverwal in de Middeleeuwen is verlaagd. Bij ander archeologisch onderzoek56 circa 200 m ten westen van deze locatie werden twee mogelijke grondsporen uit de IJzertijd gevonden. De krassporen, enkele scherven aardewerk en de grondsporen tonen aan dat de oeverwal in ieder geval in de IJzertijd werd bewoond en geakkerd. De locatie van de kern van de nederzetting is onbekend. Sporen en vondsten uit de Romeinse Tijd ontbreken volledig. Dit is merkwaardig gezien de nabijheid van het inheems-Romeinse tempelcomplex ten oosten van Oud Empel. Een verklaring voor het ontbreken van bewoningsporen is niet te geven. Ter hoogte van de oeverwal bevond zich boven de C-horizont een laagje grijs witgevlekt zand met sporen van bioturbatie, fosfaat en houtskool. De onregelmatige onderkant doet vermoeden dat het een akkerlaag is geweest. De datering is onbekend. De laag wordt doorsneden door sporen uit de Volle Middeleeuwen. Mogelijk is de laag prehistorisch of vroeg-middeleeuws. De oudste sporen en vondsten uit de Middeleeuwen dateren uit de 9de eeuw. De hoeveelheid sporen uit deze periode is gering. De kern van de bijbehorende nederzetting moet vlak in de buurt liggen. De meerderheid van de sporen; paalsporen, greppels en kuilen, dateert uit de periode 900-1200. De meeste sporen uit deze periode bevinden zich in het noorden van werkput VI. Dat wil zeggen op de top van de oeverwal. De intensiteit van de bewoningsporen lijkt richting het zuiden, ofwel richting komgebied, minder te zijn geweest. Het onderzoek heeft aangetoond dat er sprake kan zijn geweest van continuïteit van bewoning vanaf de Karolingische periode tot heden. De grondsporen uit de periode tot en met de 12de eeuw bewijzen dat op de oeverwal gewoond werd. Waarschijnlijk werd het komgebied alleen voor agrarische activiteiten gebruikt. De lage ligging kon eventuele bewoning in het komgebied bij dijkdoorbraken fataal worden. Door de beperkte breedte van de werkputten kunnen geen uitspraken worden gedaan over mogelijke structuren uit de Volle Middeleeuwen. Bij archeologisch onderzoek circa 200 meter ten westen van de opgraving werd een huisplattegrond daterend uit de tweede helft van de 11de tot en met het eerste kwart 12de eeuw aangetroffen. Het bouwwerk zal gediend hebben als woonstalhuis. De kans is zeer groot dat bij eventueel toekomstig archeologisch onderzoek meer huisplattegronden uit de Volle Middeleeuwen worden gevonden. Vanaf het eind van de 13de-14de eeuw is er sprake van grootschalige ophogingen op de top van de oeverwal, waarschijnlijk hangt dit samen met de aanleg van de Empelse dijk (historisch bekende datum 1307). Het is onduidelijk gebleven of het kleiige ophogingspakket uit de 14de eeuw dat werd aangetroffen ten zuiden van de Empelsedijkweg deel is geweest van de oorspronkelijk dijk of dat het deel was van een verhoogd erf achter de dijk. Er zijn weinig grondsporen uit de 13de en 14de eeuw gevonden. Het ontbreken van grondsporen hangt vermoedelijk samen met de in die tijd ontstane gewoonte om te bouwen op poeren. Deze manier van bouwen laat weinig sporen in de grond achter. De bewoning verplaatste zich richting dijk; deze locatie was tenslotte de meest veilige plek om te wonen. In werkput VI werd mogelijk muurwerk uit de 15de of 16de eeuw aangetroffen. Steenbouw uit deze periode op het platteland is zeldzaam. De meeste huizen waren nog van hout/vakwerk. De betekenis van de muur is onbekend, mogelijk is het een zijgevel maar het kan ook een keldermuur zijn. Het bouwwerk is in de Nieuwe Tijd gesloopt. In de 19de eeuw werd het dijklichaam fors verbreed en opgehoogd, dit fenomeen is in alle wekputten waargenomen. De ophogingslagen uit deze eeuw bestaan voornamelijk uit zand met soms veel afval daartussen. Het is onbekend waar dit zand vandaan is gehaald. Gezien de grootschalige ophoging van de dijk en de grote hoeveelheid afvalmateriaal daartussen uit de 17de en 18de eeuw kan heel misschien gedacht worden aan de sloop van een nabijgelegen fort of schans. In de werkputten IV, V en IX werd muurwerk gevonden van dijkhuisjes uit de 18 de en 19de eeuw. Hieruit blijkt dat na de ophoging het dorp na de ophoging werd uitgebreid.

Date: 29 augustus tot en met 30 september 2005 (uitvoering)

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/DANS-2BK-QA9N
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/DANS-2BK-QA9N
Provenance
Creator Mooren, J.R.; Schorn, E.; Venne, A.C. van de; Treling, J.R.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor R.J.W.M. Gruben; BAAC bv
Publication Year 2010
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact R.J.W.M. Gruben (BAAC bv)
Representation
Resource Type Dataset
Format application/pdf; text/xml
Size 20253064; 8426; 9270; 803; 3554
Version 2.0
Discipline Humanities