In het plangebied zijn archeologische resten - sporen en vondsten - aangetroffen in de top van het dekzand, onder een 60-80 cm dik plaggendek. De aanwezige veldpodzolrestanten onder het plaggendek is een aanwijzing dat het plangebied ligt in een latere uitbreidingszone van de oudste akkerlandcomplexen en dus wellicht van jongere ontginningsdatum is (nieuwe tijd B?). De archeologische resten bestaan overwegend uit greppels, karrensporen, spitsporen en zandwinkuilen, en enkele los verspreide paalsporen. De greppels maken deel uit van de cultuurgronden van Oss. Die bestonden vooral uit akkerland. De ligging van de zandwinkuilen geven aan dat zand op de akkers werd gewonnen op de minst ongunstige plekken, namelijk langs de perceelsranden, waar ook paden lagen. De meeste vondsten zijn gedaan in een greppel die vermoedelijk onderdeel was van de bewoning pal ten zuiden van het plangebied; van deze bewoning zijn geen sporen aangetroffen. Het vondstenspectrum sluit aan bij een regulier huishouden of een boerderij die mogelijk eerder op akkerbouw dan veeteelt was gericht. De bouwkeramiek wijst erop dat het pand (gedeeltelijk) uit baksteen was opgebouwd en bepaalde vertrekken - de keuken? - een tegelvloer hadden. Het dak was (gedeeltelijk) gedekt met leien. De bewoning dateert in de 18e eeuw met een doorloop tot in de vroege 19e eeuw, maar de aanvang moet 25-50 jaar eerder worden gezocht, mogelijk in de late 17e eeuw. Het landschap rond het vroegmoderne Oss werd gebruikt binnen het plaggenlandbouwsysteem. Op de heidevelden werden plaggen gestoken. Op de akkers verbouwde men graan (gerst en/of tarwe en rogge), boekweit, hennep en vlas en mogelijk groentes. De landbouwpercelen en erven waren omzoomd met greppels en deels met houtwallen. Dichte bossen of restanten daarvan waren niet meer aanwezig in de omgeving. Weidegrond of hooiland was waarschijnlijk te vinden in de natte gebieden van de Maas, waar ook elzenbosjes groeiden.