Gespecificeerde archeologische verwachtingOp basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit alle archeologische perioden vanaf het (Laat-)Paleolithicum. Alleen voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag. Het plangebied heeft namelijk een landschappelijke ligging op een hooggelegen dekzandrug. Dergelijk relatief hoog gelegen terreindelen zullen al voor Jagers-Verzamelaars (Laat-Paleolithicum en Mesolithicum) een gunstige ligging hebben gehad als tijdelijke nederzettingslocatie (jachtkampementen). Ook voor Landbouwers was het plangebied een gunstige nederzettingslocatie. Vanaf de Vroege-Middeleeuwen (Merovingische tijd) ontstond de Gelderse IJssel en behoorde het omliggende lager gelegen gebied tot zijn overstromingsvlakte. De landbouwgebieden werden vanaf het einde van de Late-Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd in stand gehouden door het opbrengen van een plaggendek/esdek. Op basis van beschikbaar historisch kaartmateriaal heeft plaggenbemesting binnen het plangebied waarschijnlijk pas plaatsgevonden vanaf het begin van de 19e eeuw. Met het ontstaan van het erf gelegen aan de Zutphensestraat 386 heeft het plangebied verder een vrij langdurig gebruik gekend als moestuin en/of siertuin. In de directe omgeving van het plangebied zijn tot op heden weinig archeologische waarnemingen gedaan, evenals archeologische onderzoeken. Resultaten inventariserend veldonderzoekDe resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) laten zien dat het plangebied een intensieve (agrarische) bewerking heeft gekend, waarbij een zogenaamde gebroken grond/zanderijgrond is ontstaan, ten behoeve van het verbeteren van de waterhuishouding. Diepgaande agrarische bewerking heeft plaatsgevonden tot gemiddeld 120 cm -mv. Het aandeel klei in de humeuze bodemlagen duidt erop dat er voorheen sprake was van een afdekkende dunne laag overstromingsklei, gesedimenteerd tijdens hoogwater van de Gelderse IJssel voordat deze was bedijkt. Deze kleilaag is opgemengd met de oorspronkelijke top van de onderliggende dekzanden. Gezien de dikte van deze humeuze lagen is tegelijkertijd ook een plaggendek opgebracht en vermengd met de top van de natuurlijke bodemopbouw. Ten behoeve van de huidige inrichting van het terrein is grond en cunet-/bouwzand opgebracht en zijn in het zuidelijke/zuidoostelijke deel van het plangebied complete klinkers en betontegels gestort. De onverstoorde bodem betreft direct de C-horizont, in de vorm van dekzandafzettingen. Op grond van de verkennende fase van het booronderzoek blijkt dat het archeologisch potentiële vondst- als sporenniveau tijdens de omvorming tot gebroken grond volledig zal zijn verstoord.De karterende fase van het booronderzoek heeft in de humeuze lagen van de gebroken grond enkele fragmenten roodbakkend aardewerk en een tweetal pijpensteeltjes opgeleverd, met een datering uit de 19e/20e eeuw, naast enkele dakpanfragmenten en fragmenten beton- en baksteenpuin van recente datum (2e helft 20e eeuw). Deze resten worden dan ook beschouwd als bemestingsresten/bemestingsafval dat door het intensieve agrarisch gebruik in de verwerkte bodem is opgenomen en gelden niet als indicatoren voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Daarnaast zijn er geen lagen aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een oude antropogene bodemhorizonten (oude akkerlagen/cultuurlagen) met een datering die dan mogelijk ouder zou kunnen zijn dan de periode van grootschalige ontginning van het gebied. ConclusieGeconcludeerd wordt dat er op basis van de resultaten van het booronderzoek er geen aanwijzing zijn om nog restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een hoge verwachting gold op het aantreffen van archeologische indicatoren, kan dan ook worden bijgesteld naar een lage verwachting.AdviesOp grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Ten behoeve van agrarisch gebruik is de bodem omgewerkt tot een zogenaamde gebroken grond. Hierdoor worden archeologische resten dan ook niet meer in situ verwacht (archeologisch potentiële sporen-/vondstniveau is sterk aangetast dan wel volledig verwijderd). Daarnaast zijn er geen archeologisch relevante indicatoren aangetroffen tijdens het onderzoek. Een archeologische vindplaats wordt niet meer verwacht binnen het plangebied.Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Brummen). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom ook op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). Het verdient aanbeveling ook de regioarcheoloog (de heer H.G. (Harry) Pape-Luijten MA) en de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Brummen (mevrouw Y.W.E.P. Kerkhof) hiervan per direct in kennis te stellen.
Date: 24-03-2021
Date Accepted: 2021-03-24