Gespecificeerde archeologische verwachting. Vanuit het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische waarden uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m het Midden-Neolithicum en een hoge verwachting voor de perioden Laat-Neolithicum t/m de Vroege-Middeleeuwen. Verzamelde landschappelijke gegevens geven aan dat het plangebied op de hogere delen van een van noordwest naar zuidoost aflopende daluitspoelingswaaier(lob) ligt, in de overgangszone van de ten westen gelegen Oost-Veluwse stuwwal naar het ten oosten gelegen Pleistocene dal van de IJssel (het IJsselbekken). Hoewel het plangebied binnen een gradiëntzone ligt, ontbreekt het aan stromend water (geen natuurlijke beekdalen in de omgeving van het plangebied aanwezig. Ook zijn er tot op heden geen vondsten bekend van jagers en verzamelaars in het onderzoeksgebied. De mineralogisch rijke bruine zanden en moderpodzolbodem, welke in het plangebied van nature worden verwacht in de top van de daluitspoelingswaaierafzettingen, hebben een hoge natuurlijke bodemvruchtbaarheid en daardoor een aantrekkelijke vestigingslocaties gevormd voor Landbouwers. De verder van nature voldoende ontwaterde gronden op de daluitspoelingswaaier waren geschikt voor het verbouwen van gewassen. Aangetroffen archeologische resten in de omgeving van het plangebied geven aan dat menselijke (tijdelijke) bewoningsactiviteiten op de daluitspoelingswaaier hebben plaatsgevonden zowel tijdens de Vroege- als Late-Prehistorie.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat verder zien dat het plangebied vanaf in ieder geval de tweede helft van de 18e eeuw deel uitmaakt van de Dierense enk en bleef tot rond begin jaren ’30 in gebruik als akkerland. Daarna werd het ingericht als parkachtig terrein met centraal een muziekkapel. De kans op het aantreffen van restanten van historische bouwwerken/bebouwing uit de Late-Middeleeuwen en/of de Nieuwe tijd (bijvoorbeeld in de vorm van muurresten/fundering) binnen de begrenzing van het plangebied wordt daarom kleiner/minder waarschijnlijk geacht. De archeologische vindplaatsenkaart van resten uit de Tweede Wereldoorlog spreekt over de aanwezigheid van schuilloopgraven binnen dan wel in de directe nabijheid van het plangebied. Bestudeerde militaire luchtfoto’s geven echter geen aanwijzingen dat er binnen het plangebied militaire structuren zijn aangelegd, in ieder geval niet nadat operatie Market Garden had plaatsgevonden. Hierdoor is het aannemelijk dat er geen resten van militaire structuren aanwezig zijn binnen het plangebied.
Resultaten inventariserend veldonderzoek. De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) bevestigd de landschappelijke ligging en verwachte bodemopbouw. Er is sprake is van een vrij intacte hoge enkeerdgrond, feitelijk bestaande uit een dik plaggendek met hieronder een intact restant van een holtpodzolbodem/bruine bosgrond vanaf de verbruinings-Bws-horizont, vanaf een deel van de Bws-horizont dan wel direct de BC-horizont. Recente verstoringen zich beperken tot de bovengrond/het bovenste deel van het plaggendek, tot gemiddeld 50 cm -mv. Het archeologisch potentiële sporenniveau (het niveau waarop archeologische sporen goed zichtbaar zullen zijn, indien aanwezig) is binnen het plangebied (onbebouwde delen) nog intact aanwezig. In de bodem zijn echter tot 30 cm in de top van de daluitspoelingswaaier-/sneeuwsmeltwaterafzettingen (C-horizont) geen archeologische indicatoren aangetroffen.
Conclusie. Geconcludeerd wordt dat er op basis van de resultaten van het gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek er geen aanwijzing zijn om resten van puntlocaties van zeer kleine omvang of resten van een basis-/extractiekamp (Jagers-Verzamelaars) en/of van een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) en resten van afvaldumps, nog binnen het plangebied te verwachten. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een middelhoge verwachting gold op de aanwezigheid van archeologische resten uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum (Jagers-Verzamelaars) en Late-Middeleeuwen en een hoge verwachting voor de perioden Laat-Neolithicum t/m Vroege-Middeleeuwen (Landbouwers), kan dan ook worden bijgesteld naar een lage verwachting. Voor de periode Nieuwe tijd als ook voor structuren/elementen uit de Tweede Wereldoorlog was en blijft de verwachting laag. Er zijn voor de archeologie geen gevolgen vanuit de voorgenomen bodemingrepen.
Advies. Op grond van de resultaten van het archeologisch vooronderzoek adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen en binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Ondanks de vrij intacte bodemopbouw heeft de geleverde onderzoeksinspanning, in de vorm van een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek, geen archeologische indicatoren opgeleverd. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).