Het onderzoek betreft een opgraving, variant begeleiding, van de aanleg van een verbindingsweg ten noorden van Winsum, tussen de Onderdendamsterweg en de N361. Op basis van de eerder uitgevoerde vooronderzoeken (bureauonderzoek, verkennend en karterend booronderzoek en proefsleuvenonderzoek) was een deel van het plangebied geselecteerd voor een archeologische begeleiding. Binnen dit deel van het plangebied zijn de ontgraving van het cunet en de bermsloot begeleid. Het betrof de zone waar bij het proefsleuvenonderzoek en op basis van historische kaarten resten van de voormalige Onderdendamsterweg aanwezig waren. De focus van de begeleiding was het documenteren van resten van de voormalige Onderdendamsterweg of Galgenweg. Bij het eerder uitgevoerde proefsleuvenonderzoek waren hier reeds resten van aangetroffen. De begeleiding moest meer informatie opleveren over de datering en fasering van de weg en een mogelijke middeleeuwse oorsprong hiervan. Een deel van het begeleidde trac is niet diep genoeg ontgraven of lag in de verstoring van een recent gedempte bermsloot. In de rest van het onderzoeksgebied zijn wel archeologische lagen en sporen aangetroffen, die alle betrekking hebben op de weg. Het gaat hierbij met name om een jonge en (sub)recente fase van de weg. In het meest westelijke deel van het onderzoeksgebied zijn ook resten van een oudere fase aangetroffen. De Onderdendamsterweg of Galgenweg liep in eerste instantie van oost naar west door het gehele onderzoeksgebied. Na de aanleg van de spoorlijn GroningenRoodeschool in 1893 werd de weg naar het oosten verplaatst en maakte een bocht naar het zuiden. Van deze fase zijn resten aangetroffen in de zuidelijke aftakking van het nieuwe trac, die het voormalige trac van deze fase van de weg volgt. Deze resten bestaan uit een klein restant van de oude bestrating, met hergebruikte Rooswinkelstenen in wildverband, puinverharding en de basis van de weg (S2). Ook de omliggende vergraven lagen kunnen hiermee in verband worden gebracht. De aanwezig kuilen/ ingravingen in dit deel van het onderzoeksgebied zullen te maken hebben met de aanleg van dit wegdeel. Ook is bijbehorende bermsloot aangetroffen. Tussen 1953 en 1962 wordt de weg nog iets verder naar het oosten verlegd en verdwijnt het eerdergenoemde wegdeel. Ter plaatse van het na 1893 in onbruik geraakte deel van de oorspronkelijke Onderdendamsterweg heeft in (sub)recente tijd door Toelichting: het hele onderzoeksgebied of een deel hiervan een pad het land in gelopen. Hiervan is over een groot deel van de lengte van het cunet een laag met puinverharding aangetroffen (S1013). In het westelijke deel van het onderzoeksgebied zijn over enkele meters de puinverharding en basis van een oudere fase van de weg aangetroffen. Deze ligt op het niveau waarbij ook bij het proefsleuvenonderzoek een wegniveau is aangetroffen. Toen zijn geen daterende vondsten aangetroffen. Wel zijn karresporen waargenomen die vanaf de 17e eeuw waren te dateren. Bij het huidige onderzoek is in dit deel van de weg en in de ingravingen van de latere fase van de weg een kleine hoeveelheid vondstmateriaal aangetroffen, die een gebruiksperiode van tussen de 17e en 19e eeuw voor deze fase van de weg ondersteunt. In n van de ingravingen bij de laat 19e eeuwse weg (S2) zijn vier fragmenten laat middeleeuwse kogelpotaardewerk aangetroffen. Dit zou een aanwijzing kunnen zijn voor een laat middeleeuwse oorsprong van de weg. Dit is echter niet met zekerheid te zeggen, omdat ze in een ingraving van de 19e eeuwse weg zijn aangetroffen. Het kan gaan om opspit uit een ouder wegniveau maar de fragmenten kunnen ook van elders afkomstig zijn. Langs het naar het oosten verplaatste deel van de weg (S2) is een hondengraf aangetroffen. Het gaat om het begraven huisdier en zal dateren in de late 19e of vroeg 20e eeuw. Bij het vooronderzoek zijn ook een aantal diergraven aangetroffen, die ook grotendeels in deze periode dateren. En hiervan kan mogelijk ouder zijn. Twee stonden in verband met de demping van de voormalige bermsloot van de Onderdendamsterweg tussen 1953 en 1962.