Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens wordt het merendeel van het plangebied gerekend tot een gebied van dekzandwelvingen waar van nature veldpodzolgronden voorkomen. Het AHN brengt hierin enige nuancering aan, waarbij mogelijk de aangrenzend ten westen van het plangebied duidelijk zichtbare dekzandrug mogelijk heeft doorgelopen in het zuidelijke deel van het plangebied, maar door menselijke toedoen (verschuiven van grond, enige mate van vereffening) vrij abrupt lijkt te stoppen in de uiterst westelijke strook van het plangebied. Mogelijk dat in het oostelijke tot zuidoostelijke deel van het plangebied nog sprake is van een relatief ongeschonden aflopende flank van deze dekzandrug. Het noordwestelijke deel vormt het relatief laagst gelegen deel van het plangebied en kan waarschijnlijk beter gerekend worden tot een dalvormige laagte.
Zeker voor hoger gelegen dekzandruggen geldt dat deze een gunstige ligging hadden voor jager-verzamelaars (Laat-Paleolithicum t/m Vroeg-Neolithicum) als tijdelijke nederzettingslocatie (jachtkampementen). Ook voor landbouwers waren de dekzandruggen de meest gunstige locaties. De grootte van de dekzandruggen vormde voldoende areaal aan goed ontwaterde gronden voor landbouw. Voor de perioden IJzertijd-Romeinse tijd-Middeleeuwen is de algemene tendens dat de huisplaatsen steeds plaats vaster werden en zich vaak verplaatsen naar de flanken van de dekzandruggen en mogelijk voor (langere) perioden en mogelijk zelfs naar de dekzandvlakten, zodat een maximaal areaal aan akkerlanden benut kon worden. De hoger gelegen dekzandruggen bleven echter altijd gebieden met gunstige bewoningscondities. De dalvormige laagte was wellicht te nat/drassig en daardoor minder gunstig, zo niet ongunstig voor bewoning. Hier zal wel de toegang tot water relatief makkelijk zijn geweest (denk aan de aanleg van relatief ondiepe waterputten). Verder uitgevoerde onderzoeken uit de omgeving hebben in veel gevallen geresulteerd in het aantreffen van een verstoorde bodem, dan wel een bodem zonder archeologische indicatoren. Op een denkzandrug heeft een enkel booronderzoek wel laat prehistorisch als laatmiddeleeuws vondstmateriaal opgeleverd. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal geeft aan het plangebied in de tweede helft van de 18e eeuw merendeels heide betrof, deel uitmakend van het Almense Veld. De zuidwesthoek van het plangebied maakte deel uit van een perceel akkerland/bouwland. In de 19e eeuw en een groot deel van de eerste helft van de 20e eeuw betrof het plangebied (productie)bos. Met het ontstaan van het boerenerf aan de Hulderdijk 5 werd het plangebied in agrarisch gebruik genomen, in eerste instantie deels als akkerland en deels als grasland/weiland, later vrijwel geheel als grasland/weiland. Centraal en in het zuidoostelijke deel van het plangebied zijn wel een aantal kippenhokken/kippenschuren en een bergschuur gebouwd. Er zijn geen aanwijzingen dat binnen het plangebied een historisch erf heeft gelegen (geen voorganger van het bestaande woon-/boerenerf).
Op basis van bovenstaande uitgangspunten wordt voor een groot deel van het plangebied een middelhoge verwachting toegekend op het voorkomen van archeologische resten uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum t/m de Late-Middeleeuwen. Voor het lager gelegen noordwestelijke deel van het plangebied, dat waarschijnlijk tot een dalvormige vlakte kan worden gerekend, wordt een lage verwachting toegekend. Voor de periode Nieuwe tijd geldt voor het gehele plangebied een lage verwachting, op basis van het geraadpleegde historisch kaartmateriaal. Archeologische resten worden in en/of direct onder de bouwvoor (eerste 30 cm) verwacht; in de top van de dekzandafzettingen waarin zich van nature een veldpodzolgrond heeft gevormd. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden binnen 50 cm beneden het maaiveld verwacht. De eventueel aanwezige archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiïngen. Uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum kunnen complextypes als kleine jachtkampjes en vuursteenvindplaatsen worden verwacht. Uit de perioden vanaf het Laat-Neolithicum kunnen complextypes als nederzettingsterreinen en huisplaatsen (boerderijplattegronden), grafvelden en afvaldumps worden verwacht. De meeste typen archeologische resten (bot, houtskool, aardewerk, metaal) zullen door de gereguleerde grondwaterstanden, en daardoor relatief droge en zure bodemomstandigheden, zijn aangetast door degradatieprocessen.
Conclusie
Het bureauonderzoek toont aan dat er zich in het plangebied mogelijk nog archeologische waarden kunnen bevinden. Er geldt vooralsnog voor een groot deel van het plangebied een middelhoge verwachting voor de perioden Laat-Paleolithicum t/m de Late-Middeleeuwen. Alleen voor het lager gelegen noordwestelijke deel van het plangebied geldt voor deze perioden een lage verwachting. Voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag voor het gehele plangebied. Het gebruik van het plangebied als (productie)bos en voor agrarische doeleinden en de vermoedelijk enige mate vereffening van het oorspronkelijke maaiveldniveau, kan hebben geleid tot (enige mate van) aantasting van archeologisch potentiële vondst-/sporenniveau. Op grond van de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied aanvullend onderzoek/vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen.
Advies
Geadviseerd wordt om (in eerste instantie) een aanvullend onderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Gelijkmatig verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet, om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel (mate van intactheid dan wel moderne verstoring van de oorspronkelijke bodemopbouw). Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.