In opdracht van Waterschap Rijn en IJssel heeft RAAP in juli en augustus 2016 een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd. Binnen het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) staan twee dijkversterkingen gepland bij Pannerden (Pannerdens Kanaal) en Loo (Nederrijn). Onderhavig onderzoek diende te worden uitgevoerd omdat realisatie van de plannen zou kunnen leiden tot aantasting of vernietiging van mogelijk aanwez ige archeologische resten. Doel van het bureauonderzoek was het verwerven van informatie over bekende en verwachte archeologische waarden teneinde een gespecificeerde verwachting op te stellen. Doel van het veldonderzoek was het toetsen van die gespecificeerde archeologische verwachting en, indien mogelijk, een eerste indruk geven van de aard, omvang, datering, kwal iteit (gaafheid en conservering) en diepteligging van eventueel aangetroffen archeologische re sten.Op basis van de onderzoeksresultaten en de aard en omvang van de voorgenomen bodemingrepen is vervolgens in hoofdstuk 4 een advies geformuleerd met betrekking tot eventueel archeologisch vervolgonderzoek.Op basis van de bij het bureauonderzoek verzamelde gegevens geldt voor deelgebied Pannerden een hoge archeologische verwachting voor archeologische resten uit de periode laat paleol ithicum t/m de nieuwe tijd en resten uit de Tweede Wereldoorlog. De resten uit de periode laat paleolithicum t/m bronstijd liggen naar verwachting dieper dan de geplande verstoringen. Voor deelgebied Loo geldt een hoge archeologische verwachting voor archeologische resten uit de periode ijzertijd t/m de late middeleeuwen en voor resten uit de Tweede Wereldoorlog. Om deze (gespecificeerde) verwachting te controleren, te verfijnen en aan te vullen, is voor beide deelgebieden een verkennend booronderzoek uitgevoerd, met als doel de gaafheid en de opbouw van het bodemprofiel vast te stellen en daarmee de kans op aanwezigheid van archeologische vin dplaatsen te kunnen vaststellen. Tijdens het booronderzoek zijn 21 boringen verricht; hiervan zijn zes boringen in deelgebied Pannerden gezet, in een raai met een onderlinge afstand van circa 40 m. In deelgebied Loo zijn 15 boringen gezet, verspreid over drie zones. Er is geboord tot maximaal 3 m ?Mv met een edelmanboor met een diameter van 7 cm en een gutsboor met een diameter van 3 cm.Deelgebied Pannerden Op basis van de onderzoeksresultaten en de voorgenomen bodemingrepen (§ 1.3) kan worden geconcludeerd dat bij de realisering van de plannen waarschijnlijk archeologische waarden zullen worden verstoord. Binnen het deelgebied staat de aanleg van een drain gepland waarvoor een sleuf zal worden gegraven van 1 m breed en 1 m diep. Binnen deze verstoringsdiepte zijn tijdens het booronderzoek diverse archeologische indicatoren aangetroffen: onder een ophogingspakket van 50-70 cm dik zijn oeverafzettingen aanwezig. In de licht humeuze top hiervan zijn diverse archeologische indicatoren aangetroffen, waaronder fragmenten rood bouwpuin en houtskool. Tevens is in boring 3 (op 1 m ?Mv) een fragment Pingsdorf aardewerk aangetroffen met een datering tussen 900 en 1225 na Chr. De archeologische indicatoren bevinden zich voornamelijk op een diepte tussen circa 50 en 110 m ?Mv. Vermoedelijk betreft het een oude akkerlaag of oud loopoppervlak.Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt in het deelgebied in het kader van de voorgenomen bodemingrepen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Aanbevolen wordt om dit te laten plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Geadviseerd wordt om tenminste ter hoogte van boringen 3, 4 en 6 een proefsleuf aan te leggen.Op basis van de bevindingen van dit onderzoek neemt de gemeente Rijnwaarden een selectiebesluit.Deelgebied Loo Op basis van de onderzoeksresultaten en de voorgenomen bodemingrepen (§ 1.3) kan worden geconcludeerd dat bij de realisering van de plannen hoogstwaarschijnlijk geen archeologische waarden zullen worden verstoord.De bodem in dit deelgebied bestaat uit oever- op geul- op beddingafzettingen van de Nederrijn, actief vanaf 2500 BP en vermoedelijk bewoonbaar vanaf de late ijzertijd. Ter hoogte van de te graven poel en leefgebied bestaat de bovenste circa 50 cm uit een bouwvoor van circa 30 cm en een onderliggende menglaag. Tevens is de bovenste circa 1 m van de oeverafzettingen al afgegraven ten behoeve van de baksteenindustrie. De bovenste circa 1,5 m van de oeverafzettingen zijn dus al afgegraven en/of geroerd. De aanwezigheid van archeologische resten in de oeverafzettingen is niet geheel uit te sluiten maar wordt hierdoor en door de afwezigheid van (in de boor herkenbare) vegetatiehorizonten (een oud loopoppervlak) in de oeverafzettingen laag ingeschat. Er zijn geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezig heid van dumplagen in de geulafzettingen. Dit geldt tevens voor WOII -gerelateerde resten. Het onderzoek was echter ook niet gericht op het lokaliseren van dit soort (zeer) lokale archeologische resten. Bovendien worden de loopgraven op basis van RAF-luchtfoto?s ten zuiden van het deelgebied gelokaliseerd.In de boringen zijn enkele kleine fragmenten rood bouwpuin en mortel aangetroffen. Deze archeologische indicatoren bevinden zich hoofdzakelijk in de menglaag en/of geroerde grond en zijn vermoedelijk een weerslag van de werkzaamheden behorend bij de steenoven. Aanwijzingen voor oudere vindplaatsen zijn niet aangetroffen.Op basis van de resultaten van dit onderzoek wordt in het deelgebied in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is co nform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Tevens dient de opmerking te worden gemaakt dat bij toekomstig gravend archeologisch onderzoek in de buurt van het deelgebied het wenselijk is de geul te dateren.