Beknopte beschrijving
Het Eiland van Dordrecht was lange tijd een zeer open buitengebied. Pas vanaf het einde van de negentiende eeuw werd de stad te klein en kwam de Negentiende-Eeuwse Schil tot stand. In dit gebied lag al sinds 1610 een buitenplaats, waar onder andere een ridder Johan Berck woonde.
Zijn naam zien we terug in het Berckepad. In 1851 liet de toenmalige eigenaar Otto Boudewijn ‘t Hooft van Benthuizen een villa bouwen en een park aanleggen. Na zijn dood kregen buurtbewoners de kans om in 1885 het landgoed aan te kopen en open te stellen als openbaar stadswandelpark. Een langgekoesterde wens ging daarmee in vervulling. Zij droegen het park over aan de gemeente Dordrecht. In de Tweede Wereldoorlog liep het park zware schade op. Bij de herstelwerkzaamheden werd ook een klein onderkomen gebouwd voor de gemeentelijke plantsoenendienst, dat enigszins liefkozend het gemeentewerfje werd en wordt genoemd.
Bouwfasen
1946 Het gemeentewerfje is gebouwd in 1946-1947 als bergplaats voor het tuingereedschap en schaftlokaal. Achter het werfje werd een aparte open binnenplaats gebouwd als 'bladbergplaats'.
Het werd een rechthoekig gebouwtje onder een zadeldak. Het kreeg een grote dubbele houten deur aan de voorkant, zes vensters aan de linkerkant, de zuidoost zijde, en twee vensters aan de noordwestkant. Aanvankelijk was de bergplaats aan de voorzijde van het gebouw een stuk groter dan het schaftlokaal. Het was een grote ruimte met links voorin een afscheiding voor een kantoortje en rechts achterin een klein hokje als wc. Het wc-raampje is nog aanwezig in de rechter zijgevel. Hierachter lag het schaftlokaal en daarachter was de open binnenplaats voor bladafval. Het werfje werd gebouwd in een sobere variant van de Delftse School.
1997 Aan de buitenkant is er vrijwel niets veranderd sinds de bouw in 1946. Intern is de tussenmuur gesloopt die de grote bergplaats met kantoor en wc scheidde van het schaftlokaal. Hiermee verdwenen ook de kachel met schoorsteen en het luik met ladder naar de zolder. Er kwam een nieuwe muur, iets meer naar voren, zodat het schaftlokaal iets groter werd. De oude bergplaats werd opgedeeld in een dubbele wc-ruimte en twee verkeersruimtes die toegang geven tot het schaftlokaal, de wc's en een nieuwe trap naar de zolder. Aan de achterkant werd de open binnenplaats dichtgezet: er kwam een dak en de halfopen achterkant werd dichtgezet met een houten wand met deur. Ook kwam er een nieuwe doorgang van deze voormalige binnenplaats naar het schaftlokaal. Het kleine houten schuurtje aan de rechterkant van het werfje werd uitgebreid tot over de hele lengte van het gebouw.
Waardestelling
Het exterieur van het werfje is in de 70 jaar van haar bestaan vrijwel ongewijzigd gebleven. Alleen de indeling van de begane grond is veranderd in de late twintigste eeuw. In hoofdopzet, structuur, en verschijningsvorm is het werfje gaaf gebleven en heeft daarom hoge algemene monumentwaarde.
De architectuur, materialisatie en bouwwijze zijn niet uitzonderlijk; het werfje is in een sobere baksteenarchitectuur uitgevoerd – positieve architectuurhistorische waarde. Bouwhistorisch zijn geen uitzonderlijke materialen of technieken toegepast. Wel heeft de gemeente het werfje met zorg uitgevoerd en met aandacht voor enkele details zoals uitkragende gevels, loodslabjes en gesmede gehengen van de deuren. Positieve bouwhistorische waarde.
De houten schuur aan de zijkant heeft geen uitzonderlijke vorm, uitvoering, materialisatie of betekenis en is van recente datum en heeft daarom geen monumentwaarde.
De cultuurhistorische waarde van het werfje is groot, als onderdeel van het Park Merwestein.
Het geeft uitdrukking aan de historie van het park en markeert de tijd waarin de gemeente het park onder haar hoede nam en het herstel uitvoerde na schade door de Tweede Wereldoorlog.
Als representant van de gemeentelijke taken voor het beheer van het Park Merwestein heeft het hoge waarde.