Onder het westelijke deel van het onderzoekgebied is de kans op het aantreffen van archeologische waarden nagenoeg uitgesloten. Dit deel van het terrein is in aanzienlijke mate en tot aanzienlijke diepte (2 m – maaiveld en soms nog aanzienlijk dieper) verstoord. Onder het oostelijke deel van de kavel is de opbouw van de ondergrond nog grotendeels intact. Hier vormen slechts de proefsleuven van het onderzoek uit 2001 en de gasleiding uit omstreeks 1980 verstorende factoren binnen de aanwezige neolithische vindplaats. De exacte aard van deze vindplaats is ook na dit booronderzoek nog onbekend. Op basis van het hoogtemodel van het duin gebaseerd op de gezette boringen, in combinatie met kennis van de neolithische vindplaatsen elders binnen Ypenburg (afb. 11) kan een beredeneerde keus gemaakt worden wat exact de maximale omvang van het kansrijke gebied voor neolithisch vondstmateriaal is.
Waar duinzand boven 4m – NAP voorkomt en dit niet afgedekt is met klei van het Laagpakket van Wormer vormt dit een archeologisch kansrijk gebied. De top van het Hollandveen is door erosie aangetast, waardoor de kans op het aantreffen van sporen die samenhingen met bewoning op geoxideerd veen, in met name de ijzertijd, nagenoeg afwezig is.