Laagland Archeologie heeft in mei-juni 2024 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Klaarbeek Noord te Epe. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom geplande bouw van nieuwe woningen.Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd.Aan hand van de geomorfologische kaarten ligt het plangebied in een droogdal aan de voet van een stuwwalglooiing. Verder ligt het noordelijke plangebied direct tegen een watergang (Klaarbeek). Het plangebied bestaat bodemkundig grotendeels uit hoge zwarte enkeerdgronden in grof zand (zEZ30) en een strook beekeerdgronden in lemig fijn zand langs de noordelijke rand.In de omgeving van het plangebied zijn archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe Tijd bekend. In historische tijden (vanaf circa 1832) werd het terrein grotendeels omschreven als weiland. Midden op het terrein lag een huis met erf. In het zuidelijke deel van het plangebied lagen tuinen en deels bouwlanden omringd met bos. Uit oude kaarten blijkt dat rekening is te houden met bodemverstoring als gevolg van bebouwing vanaf tenminste begin 19e eeuw.De archeologische verwachting is hoog voor archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum tot Vroeg-Neolithicum (jager-verzamelaars). Omdat het plangebied ten noorden direct begrensd wordt door de Klaarbeek, terwijl het zuidelijke plangebied net wat hoger ligt, ligt het binnen een gradiëntzone. Verder is de archeologische verwachting hoog voor archeologische resten vanaf het Midden-Neolithicum tot Nieuwe Tijd. In ieder geval was er bebouwing binnen het plangebied en deels in gebruik als bouwlanden en tuin.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zonodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen.Algemeen is een intacte bodemopbouw aangetroffen, bestaande uit de bodemtypen beekeerdgronden en lage enkeerdgronden, die karakteristiek zijn voor natte terreinomstandigheden. Lage enkeerdgronden zijn tevens karakteristiek voor late ontginningen. Het bebouwde deel van het plangebied is licht tot matig opgehoogd. Het gaat om een huis en erf dat ergens in de Late Middeleeuwen tot Nieuwe Tijd moet dateren (in ieder geval staat er een huis en erf aangegeven op de Kadastrale Minuut van rond 1832). Sindsdien heeft het terrein meerdere bouwfasen gekend, waarbij de bebouwing tevens is uitgebreid. Verder is ongeveer direct grenzend aan het plangebied vindplaats 1 aangetroffen, bestaande uit een greppel met aardewerk uit de Late Middeleeuwen. Het aardewerk in de greppel is indicatief dat er in de directe omgeving een erf moet zijn geweest, zoals het erf in het plangebied of direct ten zuiden ervan.Op basis van het uitgevoerde booronderzoek worden er mogelijk archeologische resten verwacht ter hoogte van het huis en erf, dat ergens in de Late Middeleeuwen tot Nieuwe Tijd moet dateren en binnen het zuidelijke plangebied. Op basis van dit onderzoek is een begrenzing van het gebied waarbinnen vindplaatsen te verwachten zijn, moeilijk precies te bepalen. Algemeen is een onverstoorde bodemopbouw aangetroffen.Op basis van de onderzoeksresultaten wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd (zie Bijlage 11) conform protocol 4003 IVO (landbodems).Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Alleen voor het centrale plangebied, dat overbouwd en verhard is, wordt een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P, variant archeologische begeleiding) geadviseerd.De beoordeling van dit advies is in handen van de gemeente Epe, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente, de heer H.G. Pape-Luijten, regio-archeoloog Stedendriehoek.Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (033 421 74 56) of via de website: www.cultureelerfgoed.nl/contact.