Gespecificeerde archeologische verwachtingOp basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m de Middeleeuwen. Het plangebied heeft een oorspronkelijke ligging op de noordflank van een dekzandrug dan wel op de overgang naar een dekzandvlakte ligt. Wellicht dat deze landschappelijke ligging voldoende was om te fungeren als (tijdelijke) nederzettingslocatie voor Jager-Verzamelaars dan wel voor Landbouwers, echter de meeste voorkeur zal waarschijnlijk zijn uitgegaan naar de hoger gelegen dekzandruggen. Voor de perioden IJzertijd-Romeinse tijd-Middeleeuwen is de algemene tendens dat de huisplaatsen steeds plaatsvaster werden en zich vaak verplaatsen naar de flanken van de dekzandruggen en mogelijk voor (langere) perioden naar de dekzandvlakten, binnen een landschappelijke positie die het plangebied inneemt. De hoger gelegen dekzandruggen bleven echter altijd gebieden met gunstige bewoningscondities en zijn voor lange tijd in gebruik geweest als oude bouwlandgronden die direct buiten de dorpskern van Lichtenvoorde lagen (worden ook wel aangeduid als enken, essen of kampen). Ook archeologisch prospectieve onderzoeken die meest nabij het plangebied zijn uitgevoerd hebben tot op heden geen archeologische indicatoren opgeleverd die kunnen duiden op de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat zien dat een groot deel van het plangebied gedurende met merendeel van de laatste 200 jaar een gebruik gekend als grasland. Alleen het zuidwestelijke deel van het plangebied was in gebruik als akkerland en alleen binnen dit deel van het plangebied worden een plaggendek verwacht. De huidige inrichting als groenstrook/parklandschap dateert uit de jaren ’80 van de 20e eeuw. Voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting dan ook laag.Resultaten inventariserend veldonderzoekDe resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) laten zien dat binnen het gehele plangebied reeds diepgaande en vermoedelijk omvangrijke bodemverstorende ingrepen/vergravingen zijn uitgevoerd. Verstoringen reiken tot een variërende diepte tussen minimaal 95 en maximaal 260 cm -mv, gemiddeld tot 120 cm -mv, met hieronder een scherpe overgang direct naar de C-horizont (ten dele verspoelde dekzandafzettingen). Ondanks dat er tot op heden nog geen bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden, heeft de huidige inrichting van het terrein geleidt tot verstoring van de oorspronkelijke bodemopbouw, welke bij géén van de boringen ook niet meer te achterhalen is. Het voorkomen van veel roestvlekken in de C-horizont direct onder het verstorings-niveau, duidt op sterk fluctuerende grondwaterstanden. Voor de grootschalige ontginning was waarschijnlijk sprake van vrij ondiepe grondwaterstanden, waardoor het van nature gevormde bodemprofiel eerder een beek- of gooreerdgrond zal zijn geweest in plaats van een podzolgrond. Van een (intact restant van een) plaggendek is verder ook géén sprake in het zuidwestelijke deel van het plangebied, wat op basis van het bureauonderzoek nog kon worden verwacht. De resultaten van de verkennende boringen geven verder ook geen aanleiding meer voor de aanwezigheid van een terrein-deel van enige omvang waar nog sprake kan zijn van een (deels) intacte bodemopbouw. Er kan gesteld worden dat graafwerkzaamheden zijn uitgevoerd die reiken tot voorbij het archeologisch potentiële vondst-/sporenniveau. ConclusieGeconcludeerd wordt dat er, op basis van de resultaten van het booronderzoek, geen aanwijzing zijn om nog intacte restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een middelhoge verwachting gold voor de perioden Laat-Paleolithicum t/m Middeleeuwen, kan dan ook worden bijgesteld naar een lage verwachting. Voor de periode Nieuwe tijd was de verwachting laag en blijft laag.AdviesOp grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Binnen het gehele plangebied hebben reeds diepgaande en vermoedelijk omvangrijke bodemverstorende ingrepen/vergravingen plaatsgevonden, waardoor er geen in situ gelegen archeologische waarden meer worden verwacht. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed ).
Date Accepted: 09-12-2021
Date Accepted: 2021-12-09