Tussen 10 maart 2021 en 10 mei 2022 heeft MenA in opdracht van CTF Amsterdam BV een Opgraving-variant archeologische begeleiding1 uitgevoerd bij de ontgraving van binnenplaatsen van het voormalige Aalmoezeniersweeshuis en het naastgelegen Stadsbestedelingenhuis. Dit onderzoeksgebied maakte onderdeel uit van het grotere plangebied Paleis van Justitie dat tegenwoordig de percelen Prinsengracht 432-436 omvat en werd verbouwd tot hotel. Voor het plangebied gold een hoge archeologische verwachting vanwege de ligging ter hoogte van het stedelijk gebied van de Vierde Uitleg (de stadsuitbreiding van 1663) met daarin de voormalige Heiligewegsvaart / Overtoomsevaart en het Aalmoezeniersweeshuis uit 1666. Omdat de ontwikkeling van het plangebied gepaard ging met de aanleg van diepe kelders tot ca. 7,80 m onder maaiveld (tot NAP -6,00 m) is de ontgraving van drie van de vijf binnenplaatsen (zie voor een overzicht afb. 10) door de gemeente geselecteerd voor een Opgraving-variant archeologische begeleiding. Hiervoor is door het bevoegd gezag een Programma van Eisen (PvE) vastgesteld.2 Specifieke aandacht van het veldonderzoek ging ter hoogte van binnenplaats 2 (werkput 1) uit naar sporen van de (gedempte) Heiligewegs- of Overtoomsevaart en ter hoogte van binnenplaats 5 (werkput 3) naar bouw- en gebruikssporen van de voormalige bebouwing die met de aanleg van het stadsbestedelingenhuis vanaf 1864 gaandeweg was verdwenen. De vraagstukken uit het PvE zijn uitgewerkt in de volgende concrete onderzoeksvragen: 1. Zijn er sporen aanwezig van pre-stedelijk gebruik? 2. Zijn er sporen aanwezig van de Heiligewegsvaart / Overtoomsevaart? 3. Hoe is het terrein opgehoogd en bouwrijp gemaakt ten behoeve van de Vierde Uitleg? 4. Zijn er bouw- en gebruikssporen aanwezig op de percelen tussen het Aalmoezeniersweeshuis en de Leidsegracht? 5. Zijn er waterkelders, water- en beerputten of afvallagen aanwezig? Wat zeggen de vondsten over de gebruiksperiode van de locatie en de ontwikkeling van materiële cultuur in Amsterdam? 6. Wat is de datering of looptijd van de archeologische vondsten en de vondsttypen of vondstcategorieën waartoe zij behoren? Ter hoogte van binnenplaats 2 (werkput 1) werd de zuidoever van de Heiligewegsvaart inclusief beschoeiing gedocumenteerd (vraag 2). De vaart bleek op het diepste punt tot NAP – 4,50 m in het Hollandveen te zijn uitgegraven. Uitgaande van een symmetrisch profiel voor een waterweg zou deze vaart circa 6,5 m breed zijn geweest. De beschoeiing bestond uit gekantrechte eikenhouten palen met aan landzijde planken die gepotdekseld tegen de palen waren bevestigd. Ten zuiden van de vaart bevonden zich een aantal opeenvolgende loopvlakken, waarvan de oudst gedocumenteerde op basis van aanwezige keramiek in de onderliggende ophoging kon worden gedateerd in de prestedelijke periode 1600-1625 (vraag 1). De bodemopbouw ter hoogte van de verschillende putten was eenduidig. De natuurlijke ondergrond was met diverse grondpakketten opgehoogd en bouwrijp gemaakt. Ondanks de 1 KNA SIKB Protocol 4004. 2 MenA PvE 2020-14. Gemeente Amsterdam AAR 152 Paleis van Justitie 6 verschillen in samenstelling (klei, veen, zand etc.) dateerden de keramiekscherven in deze opgebrachte bodemlagen uit de periode 1625-1650/75. We hebben hier dan ook te maken met ophogingen uit de tijd van de Vierde Uitleg toen deze locatie vanaf 1663 bouwrijp werd gemaakt. (vraag 3). Opgemerkt kan worden dat bijna de helft van de aangetroffen keramiek kan worden gedateerd uit de periode 1650-1675, wat aantoont dat rond 1663 bij het bouwrijp maken en ophogen relatief recent (stedelijk) afval is gebruikt (vraag 6). De aanzet voor deze stadsvergroting was de enorme vraag naar bouwruimte binnen de stad. Het archeologisch onderzoek wees uit dat de oudste sporen in het plangebied – dat oorspronkelijk buten de stadsomwalling lag – dateerden uit de jaren 1660, de periode waarin dit terrein bij de stad kwam en direct werd ontwikkeld. In binnenplaats 2 (werkput 1) was een omvangrijke waterput met een bakstenen putmantel aanwezig en op binnenplaats 3 (werkput 2) is een grote waterkelder opgegraven. Binnenplaats 5 (werkput 3) lag ter hoogte van de achterterreinen van enkele voormalige (woon)huizen aan de Prinsengracht, Leidsegracht en Lange Leidsedwarsstraat. In deze werkput werd een breed scala aan bouwsporen van de voormalige bebouwing gedocumenteerd (vraag 4). Zo werden in binnenplaats 5 (werkput 3) nog drie waterputten waarvan één exemplaar eveneens met een putmantel uit baksteen was uitgevoerd. De twee andere putten hadden een putmantel van een of meerdere op elkaar gestapelde tonnen waarop oorspronkelijk een bakstenen putring was geplaatst, en in één geval nog aanwezig was. Beide tonputten zijn kort na het ophogen van het terrein aangelegd. De put met zandring is rond 1700 buiten gebruik geraakt, de tonput van Leidsegracht 69 heeft tot het eind van de 18de eeuw als waterput gefunctioneerd, alvorens te zijn volgestort. Onderin deze put lagen een aantal objecten die zeer specifiek als vondsten in een waterput zijn te duiden (vragen 5 en 6). Naast een houten emmer met loden randverzwaring, zodat te deze bij het te water laten direct kiept ook enkele haken of dreggen om verloren objecten uit de put te vissen. Zo bevatte de put een aardewerken kan waarvan het glazuur op de buik vele krassen vertoonde die waarschijnlijk zijn ontstaan bij pogingen de verloren kan met een haak of dreg weer omhoog te halen. Een geheel ander vondsten spectrum bevatte de beerput van Leidsegracht 71. De put was uit planken opgebouwd en dendrochronologisch gedateerd na 1677. De oudste vondsten uit de beerput dateren uit het eind van de 17de eeuw en zijn vermoedelijk als restant van een (eerste) gebruik van de beerput na leging achtergebleven. Dit legen van beerputten kwam regelmatig voor en kan tijdens gebruik meerdere malen hebben plaatsgevonden. De put is in ieder geval voor het laatst rond het midden van de 18de eeuw geleegd. De jongste vondsten uit de put dateren tussen 1760 en 1780 en vormen de bulk van het vondstcomplex. Het ziet ernaar uit dat de beerput na die periode niet meer in gebruik is geweest.