Gespecificeerde archeologische verwachtingOp basis van het bureauonderzoek wordt verwacht dat het plangebied op een rivierduin ligt. In de tijd van de Jagers-Verzamelaars (einde Laat-Paleolithicum en Mesolithicum) zullen de hoger gelegen rivierduinen een gunstige ligging hebben gehad als tijdelijke nederzettingslocatie. Vanaf het Neolithicum vormde vooral de overgangsposities gunstige locaties voor bewoning. De hoger gelegen rivierduinen werden gebruikt als landbouwgronden, hoewel de vaak droge tot zeer droge bodem op de rivierduinen (zonder plaggendek) een beperkende factor vormde. Diverse uitgevoerde archeologische onderzoeken in de omgeving van het plangebied hebben niet geresulteerd in het aantreffen van een archeologische vindplaats en geven veelal aan dat er diverse bodemverstorende ingrepen hebben plaatsgevonden, veelal ten gevolge van de ontwikkeling van het Bedrijventerrein Keppelseweg. Verder laat het geraadpleegde historisch kaartmateriaal zien dat het plangebied deel heeft uitgemaakt van een omvangrijk gebied van woeste gronden, waarvan delen waarschijnlijk zeer nat/moerasachtig waren en onder water stonden tijdens periodieke overstromingen van de rivier de Oude IJssel. Een groot deel van het plangebied is tevens bebouwd geweest met een deel van een omvangrijk schoolgebouw, welke aan het begin van de 21e eeuw weer is gesloopt. Het plangebied heeft een middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten, afwijkend met de hoge verwachting weergegeven op de archeologische beleidskaart van de gemeente Doetinchem. Voor het terrein grenzend aan de noordoostzijde van het plangebied is de verwachting dat er een loopgraaf heeft gelegen. Binnen en direct langs de loopgraaf kunnen dan ook nog sporen dan wel resten worden verwacht uit de Tweede Wereldoorlog. Resultaten inventariserend veldonderzoekDe resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) laten een verstoorde bodemopbouw zien tot een diepte van gemiddeld 85 cm -mv, waarbij door voorheen agrarisch gebruik en diepploegwerkzaamheden een zogenaamde gebroken grond is ontstaan. Het plangebied heeft deel uitgemaakt van een agrarisch intensief bewerkt terrein, waarbij vermoedelijk een relatief dunne, afdekkende kleilaag vermengd is met een groot deel van het oorspronkelijk onderliggende pakket rivierduinafzettingen. De onverstoorde bodem betreft nog een dun restant rivierduinafzettingen. Vanaf gemiddeld 125 cm -mv bevinden zich hieronder afzettingen van de Formatie van Kreftenheye, bestaande uit een enkele decimeters dikke laag sterk zandige klei tot kleiig zand, welke de Laag van Wijchen betreft, gevolgd door grofzandige vlechtende rivierterrasafzettingen. Lokaal zijn er al diepere bodemverstorende ingrepen uitgevoerd tot circa 150 cm -mv, waarbij een gedeelte van de verstoorde bodemopbouw gestort cunet-/bouwzand betreft. Dit zullen verstoringen betreffen vermoedelijk veroorzaakt door het voormalig gebruik van het plangebied deel uitmakend van een schoolterrein. Het oorspronkelijk bodemprofiel kan op basis van de gezette boringen niet meer worden achterhaald. Op grond van de gezette boringen is binnen het gehele plangebied het archeologisch potentiële vondst- als sporenniveau aangetast, zo niet volledig verstoord/vergraven. Er zijn verder ook geen archeologische indicatoren aangetroffen.ConclusieGeconcludeerd wordt dat er op basis van de resultaten van het booronderzoek er geen aanwijzing zijn om restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een middelhoge verwachting gold voor de perioden (Laat)-Paleolithicum t/m Middeleeuwen en een lage verwachting voor de periode Nieuwe tijd, kan dan ook worden bijgesteld naar geen verwachting.AdviesOp grond van de al in sterke mate aangetaste/verstoorde bodemopbouw binnen het plangebied en het verder ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden (geen archeologische resten aangetroffen in het zeefresidu van het opgeboord zand/versneden en verbrokkelde klei), adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden.Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
Date Accepted: 09-12-2021
Date Accepted: 2021-12-09