In opdracht van Mona Rademaker Vastgoed heeft RAAP in juli 2020 een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (verkennend booronderzoek) uitgevoerd voor het plangebied Rijndijk 272 te Hazerswoude-Rijndijk in de gemeente Alphen aan den Rijn. Het onderzoek vond plaats in het kader van een omgevingsvergunningsaanvraag. De plannen bestaan uit de sloop van de huidige bebouwing en de nieuwbouw van een woonhuis. De nieuwbouw wordt deels in het bestaande bouwvlak opgetrokken.Bureauonderzoek: Archeologische verwachting Indien in het plangebied oever - of crevasse-afzettingen met een intact bodemprofiel aanwezig zijn bestaat er een hoge archeologische verwachting voor archeologische resten uit de periode tussen d e ijzertijd en de vroege middeleeuwen.Op basis van het historisch kaart- en beeldmateriaal wordt geen bebouwing uit de 19e eeuw binnen de grenzen van het plangebied verwacht. Er bestaat een lage-middelhoge archeologische verwachting voor bewoningssporen uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd. Het lijkt waarschijnlijk dat in het plangebied (sub)recente ophogingslagen onder het maaiveld aanwezig zijn. Nederzettingsophogen/ afvallagen uit deze perioden bestaan vermoedelijk uit humeuze klei met een zandbi jmenging of humeus zand met veel puinfragmenten.De diepteligging van eventueel aanwezige archeologische resten is vooralsnog onbekend. Lagen met een hoge archeologische verwachting (oever -/crevasse-afzettingen) bevinden zich mogelijk onder (subrecente of recente) ophoogpakketten. Naar verwachting zijn deze pakketten circa 1-1,5 dik.De bouw van de staande bebouwing en de aanleg van kabels en leidingen zal tot enige bodemverstoring hebben geleid. Indien de oeverafzettingen echter worden afgedekt door een ( dik) ophoogpakket, kunnen onder recente ophoogpakketten of lagen uit de late middeleeuwen-nieuwe tijd nog intacte afzettingen en archeologische niveaus in deze afzettingen aanwezig zijn. De bodemopbouw en de exacte diepte tot waarop de bodem in het plangebied reeds is verstoord/er ophogingslagen aanwezig zijn is onbekend.Om de hierboven weergegeven verwachting te toetsen en de mate van verstoring in het plangebied in kaart te brengen worden verkennende boringen gezet.Verkennend booronderzoek Tijdens het booronderzoek is onder het maaiveld een dik pakket ophogingslagen aangeboord. De onderste helft van dit pakket bestaat uit kleiige ophogingslagen waarin indicatoren uit de nieuwe tijd zijn aangetroffen (aardewerk, pijpensteeltje en –kopje). Zulke lagen reiken in de dieper doorgezette boringen tot 100-165 cm –mv. Deze resultaten komen overeen met het booronderzoek op het perceel direct ten westen van het plangebied (ophogingen tot 1,2-1,5 m –mv; Van der Klooster, 2015). Net als tijdens dat onderzoek, zijn tijdens het huidige onderzoek meerdere boringen (6 stuks) binnen 100 cm – mv gestuit. Van vier van deze boringen (1, 101, 3 en 103) bestaat de indruk dat ze zijn gestuit op objecten/architecturale resten bestaande uit baksteen en/of mortel. Zulke vermoede rest en bevinden zich ten westen van de staande bebouwing (ten westen van het geplande bouwvlak) op 45-50 cm –mv en op 90-95 cm –mv ten oosten van de bebouwing (binnen het geplande bouwvlak). Hoewel op basis van historisch kaartmateriaal geen bebouwingsresten uit de 19e-20e eeuw werden verwacht, zijn zulke resten mogelijk toch in het plangebied aanwezig. Het huidige booronderzoek heeft geen inzichten in de aard en datering van zulke mogelijke resten verschaft. Het lijkt wel waarschijnlijk dat de bodemopbouw ter plekke van het huis tot op bepaalde diepte is verstoord tijdens de bouw in 1910. Het is onbekend tot hoe diep de huidige funderingen reiken.De drie dieper doorgezette boringen in de noordelijke helft van het plangebied hebben inzichten in de natuurlijke bodemopbouw verschaft : het plangebied ligt op de kronkelwaard direct ten zuiden van de huidige hoofdgeul van de Oude Rijn. Ter plaatse van boring 5 is een depressie aanwezig, waarin een kalkloze kleilaag en veen zich heeft gevormd. In de drie boringen zijn matig stevige oeverafzettingen aangeboord. In 2 boringen lijkt de bodemopbouw van deze lagen goeddeels intact (ontkalkte- op kalkrijke oeverafzettingen). In de ontkalkte top zijn houtskool, een drietal kleine witte grindjes en een fragment leisteen waargenomen. De diepteligging van de top van deze (intacte) top (vanaf 100 cm –mv) komt overeen met het resultaat van 1 boring op het perceel ten westen van het plangebied. In 1 boring in het plangebied is een dik pakket ophogingslagen aanwezig (tot 165 cm –mv). De bodemopbouw onder dit pakket lijkt niet geheel intact (kalkrijke- op rommelige ontkalkte oeverafzettingen). In de kalkrijke (bovenste) laag zijn een fragment ijzer (of een ijzerconcretie), grind/kiezel en een spikkel roodbakkend puin waargenomen. De aanwezigheid van grind in twee van de boringen in oeverafzettingen lijkt verdacht in het kader van de mogelijke aanwezigheid van de limesweg in de omgeving. Deze wordt volgens de gaande reconstructies echter ten zuiden van het plangebied verwacht (Jansen e.a., 2011; Van Dinter , 2012) en is tijdens booronderzoek ook op een lager gelegen deel van de stroomgordel aangetroffen (Kruidhof, 2008 en Van Dasselaar, 2018). Het grind hoeft echter niet per se in de Romeinse tijd in de oeverafzettingen terecht zijn gekomen. In ieder geval zullen de aangetroffen korrels grind niet natuurlijk in de oeverafzettingen zijn afgezet en blijft de middelhoge-hoge archeologische verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de ijzertijd, Romeinse tijd, en vroege middeleeuwen (in elk geval voor de noordelijke helft van het plangebied) bestaan. Deze verwachting wordt ondersteund op basis van de goeddeels intacte bodemopbouw in 2 boringen en de aanwezigheid van houtskool in de ontkalkte top van de oeverafzettingen. Dit niveau bevindt zich vanaf 100 cm –mv/0,7-0,8 m –NAP. Op basis van het huidige onderzoek kunnen geen harde uitspraken worden gedaan over de (diepere) bodemopbouw onder de staande bebouwing en de gestuite boringen in het zuiden van het plangebied. Voor het aangetroffen veen en de geulsedimenten onder de oeverafzettingen bestaat een lage archeologische verwachting.