In het kader van de restauratie van het pand Oude Markt 26 te Enschede, bekend als de “Villa van HeeK”zijn graafwerkzaamheden in de kelders van het pand en aan de achterzijde archeologisch begeleid. Ondanks aantasting van het bodemarchief onder het huidige gebouw door de aanleg van grondverbeteringssleuven voor de funderingen en puinkuilen is op geringe diepte onder de keldervloeren een gedeeltelijk intact bodemarchief aangetroffen met belangrijke archeologische informatie. Daarin zijn resten van elkaar opvolgende gebouwen aangetroffen uit de periode van ca. 1300 tot de 19e eeuw. Uit de periode 1300 tot 1750 is een opeenvolging van leemvloeren, brandlagen en egalisatielagen aangetroffen, die de resten vormen van vijf of zes opeenvolgende gebouwen in houtskeletbouw. De eerste drie of vier van deze gebouwen zijn in de periode 1300-1500 te dateren, eventueel tot in de 16e eeuw; de jongste twee na 1600.De functie van deze gebouwen kon niet met zekerheid vastgesteld worden. De aanwezigheid van een laatmiddeleeuwse borg ter plekke kan door het onderzoek niet bevestigd, noch weerlegd worden. Een centrale haard in de één na oudste vloer wijst op een woonfunctie van tenminste deze bebouwingsfase. De minimale omvang van (een deel van) de gebouwen van 4 x 11 m komt overeen met die van een stadshuis van de stedelijke middenklasse of bovenlaag. Daarentegen doet de opmerkelijke ligging van de gebouwen op enige afstand van de rooilijnen langs de twee flankerende straten op een kleine verhoging van natuurlijk zand tussen twee natte zones direct naast de kerk een bijzondere functie of status vermoeden: mogelijk een kerkelijke. Wat betreft oriëntatie sloten de gebouwen aan bij de bebouwing langs de Haverstraat.Het jongste gebouw in houtskeletbouw is na de verwoesting, vermoedelijk bij de stads brand van 1750, vervangen door een gebouwencomplex in baksteen met enige allure en een nieuwe oriëntatie en aansluiting bij de Langestraat. Van dit gebouw zijn uitbraaksleuven aangetroffen en een intacte, gemetselde bakstenen vloer met muurresten van kelderruimten onder het noordoostelijk gedeelte. De funderingssporen komen overeen met de aangegeven bebouwing op de oudste kadastrale minuut uit ca. 1832. Het gebouwencomplex is rond 1848 vervangen door de in 1862 afgebrande voorganger van het huidige huis, dat na de brand op de funderingen daarvan is herbouwd.De oudste aanwijzingen voor een nederzetting in de directe omgeving van de onderzoekslocatie dateren uit de tweede helft van de 11e tot vroege 12e eeuw, hetgeen overeenkomt met de vroegste historische aanwijzingen voor het bestaan van de nederzetting Enschede en met vondsten op de aangrenzende Klokkenplas. Deze aanwijzingen bestaan uit twee fragmenten van Pingsdorfaardewerk uit een ophogingsdek van zwart humeus zand uit de 12e tot 13e eeuw onder de beschreven gebouwresten. De aanwezigheid van oudere bewoningssporen onder dit ophogingsdek is niet uitgesloten. De oudst aangetroffen bewoningsresten ter plekke van de onderzoekslocatie gaan terug tot de vroege 14e eeuw.Uit het onderzoek komt naar voren dat het archeologisch vatbare deel van de plaatselijke materiële cultuur in Enschede tot ver in de Nieuwe Tijd in diverse opzichten afweek van die in grote delen van de rest van Nederland en meer aansloot bij het oostelijk aangrenzende Westfalen. Pas de opbloei van de stad als centrum van textielnijverheid in de loop van de 18e eeuw lijkt de aansluiting bij de rest van Nederland versterkt te hebben. Opmerkelijk is onder meer de relatief late verstening van de stad, die pas na de stadsbrand van 1750 doorzet. Tussen 1600 en 1750 lijkt de plaatselijke productie en het gebruik van dakpannen te beginnen, evenals het gebruik en mogelijk de productie van bakstenen op beperkte schaal. Ook in de langere doorlooptijd van enkele aardewerksoorten en de late introductie van roodbakkend aardewerk sluit Enschede aan bij het aangrenzende Münsterland.Het onderzoek heeft, samen met dat op de Klokkenplas, duidelijk gemaakt dat de bodem van de binnenstad van Enschede een rijk bodemarchief herbergt dat van hoge informatieve waarde is. Enerzijds is het relatief uniek door de afwijkende culturele ontwikkelingen, die elders in Nederland niet bestudeerd kunnen worden. Anderzijds is men, door het verloren gaan van veel historische bronnen bij stadsbranden tot in recente tijd voor de kennis van het verleden van de stad veel sterker afhankelijk van het bodemarchief dan in veel andere plaatsen.
Archeologische begeleiding onder Protocol opgraven