Uit het bureauonderzoek en verkennend booronderzoek is gebleken dat in een strook aan de westzijde van het plangebied de bodem intact is en dat hier op basis van het bureauonderzoek een middelhoge verwachting bestaat op het voorkomen van archeologische resten uit de periode Neolithicum tot en met de IJzertijd. Een eventuele vondstlaag bevindt zich tussen 0,05 en 0,5 m -mv. Hieronder kunnen nog sporen of vondststrooiïngen aanwezig zijn. In het overige deel van het plangebied waar boringen konden worden uitgevoerd is de bodem verstoord tot in de C-horizont. Onder en in de greppels van de busbaan (Apollolaan) wordt aangenomen dat de bodem verstoord is tot onder het archeologisch relevante niveau.In de oostzijde van het plangebied zijn geen beperkingen voor wat betreft de uitvoering van eventuele grondwerkzaamheden. Echter, in een strook met een oppervlakte van circa 1.000 m2 aan de westzijde van het plangebied is een intacte laarpodzol-bodem aanwezig, waar niet uitgesloten kan worden dat archeologische resten aanwezig zijn.Het wordt aanbevolen om hier, in het geval van toekomstige bodemverstoring, een karterend booronderzoek uit te voeren om de aan- of afwezigheid van archeologische resten vast te stellen.Indien in de toekomst verstoring gaat plaatsvinden in de zone van circa 1.000 m2 waar de bodem intact is, dan wordt aanbevolen om een karterend booronderzoek uit te voeren. Hierbij wordt aangeraden de brede zoekoptie uit de KNA-leidraad voor karterend booronderzoek te hanteren. Hierbij wordt geboord met een boordiameter van 15 cm in een boorgrid 20m x 25m. Echter, gelet op de langgerekte vorm van het gebied waar de bodem intact is, wordt voorgesteld om één rij boringen uit te voeren met om de 10 meter een boring met een boordiameter van 15 cm uit te voeren. Het opgeboorde materiaal van de A-horiont, B-horizont en de top van de C-horizont moet worden gezeefd over een zeef met een maaswijdte van 4 mm om de aan,- of afwezigheid van archeologische resten te kunnen vaststellen.