In juli 2025 is in opdracht van Stichting WYwonen door Antea Group een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor Stationsstraat e.o. in Roelofarendsveen (gemeente Kaag en Braassem). Aanleiding voor het onderzoek is de herstructurering van vijf wooncomplexen. Voor de realisatie van het plan is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Dit bureauonderzoek levert een inhoudelijke bijdrage aan de onderbouwing van die wijziging.
Het doel van het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Waar kunnen we wat verwachten? Voor het opstellen van een dergelijke verwachting wordt gebruik gemaakt van reeds bekende archeologische waarnemingen, historische kaarten, bodemkundige gegevens en informatie over de landschappelijke situatie. Een gespecificeerde verwachting gaat in op de mogelijke aanwezigheid, het karakter, de omvang, datering en eventuele (mate van) verstoring van archeologische waarden binnen het plangebied.
Vóór de middeleeuwen is in het plangebied sprake van drassige omstandigheden die niet geschikt zijn voor bewoning. Het plangebied bevindt zich direct ten noorden van het historisch ontginningslint van Roelofarendsveen, in een zone waar pas vanaf de 20ste eeuw sprake is van bebouwing. Een centrale zone van het plangebied valt onder een dubbelbestemming archeologie en op de gemeentelijke beleidskaart binnen het gebied van de historische kern en ontginningsas. In dit gebied is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Op 22 januari 2026 is het bouwdossier van de huidige bebouwing waarin het plangebied valt ingezien op de studiezaal van Erfgoed Leiden en Omstreken. Hieruit blijkt dat de huizen aangelegd zijn middels betonnen funderingsbalken. Deze zijn tot onder de toenmalige grondwaterspiegel geplaatst. De kelderkastvloeren liggen op 0,8 m -mv. Op de bouwtekeningen is ook aangegeven dat de funderingen tot zeker 2 m-mv lopen. De bodem is daarom reeds tot minstens die diepte verstoord.
Advies Antea Group
Voor het grootste gedeelte van het plangebied is, is de archeologische verwachting binnen het plangebied zeer laag. Deze lage verwachting is gebaseerd op de ligging buiten het historische bewoningslint van Roelofarendsveen, de bodemkundige omstandigheden en de geringe resultaten op basis van eerder uitgevoerde (boor)onderzoeken in het gebied. Daarom adviseert Antea Group om de geplande werkzaamheden binnen deze delen van het plangebied vrij te geven voor het aspect archeologie.
De zone die zich volgens de gemeentelijke verwachtingskaart binnen de historische kern/ontginningsas bevindt en waarvoor op die grond een hoge verwachting bestond op het aantreffen van archeologivoor het vanaf de late middeleeuwen. Deze hoge verwachting is op grond van de verstoringen die gepaard zijn gegaan met de bebouwing in de twintigste eeuw, bijgesteld naar laag.
Het is niet uit te sluiten valt t dat de bodem in de zones die buiten de locatie van de funderingsbalken liggen, niet is verstoord. Daarom adviseert Antea Group om de sloop die binnen de zone Archeologie 1 valt, te laten begeleiden. Het doel bij een sloopbegeleiding is om archeologische resten te signaleren, vast te leggen en – indien nodig – veilig te stellen, zonder dat het sloopproces onnodig wordt stilgelegd. Met name bij het verwijderen van vloeren of funderingen is het noodzakelijk een archeoloog bij de werkzaamheden te hebben. Hiermee kan de voor Roelofarendsveen belangrijke informatie over ontstaan en ontwikkeling van de nederzetting (mits nog aanwezig) worden ontsloten.
Dit is een advies. Het nemen van een selectiebesluit is voorbehouden aan het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Kaag en Braassem.
Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch sporen en vondsten worden aangetroffen. Toevalsvondsten in dit plangebied hangen hoogstwaarschijnlijk samen met de ophooglagen die vanaf de middeleeuwen in het gebied zijn gevormd. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.