(24373.001) Eindrapportage archeologisch bureauonderzoek NuLelie-project Urk Zuid

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Voor het plangebied/tracé geldt een paleogeografische ontwikkeling waarbij het gedurende de perioden (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum voor een groot deel een ligging had binnen het (met dekzand bedekte) Laagterras. In zones binnen de noordwestelijke, centraal-noordelijke, noordoostelijke en uiterst zuidoostelijke delen van het plangebied/tracé komen rivierduinen voor, gelegen langs de stroomdalen van de Vecht en de IJssel. De uiterst noordwestelijke en noordoostelijke delen van het plangebied/tracé lagen in deze perioden in het rivierdal van de Vecht, het uiterst zuidoostelijke deel in een beekdal die direct ten zuiden afwaterde op de IJssel. Vooral de rivierduinen vormde geschikte locaties voor het ontplooien van tijdelijke bewoningsactiviteiten en hebben een hoge verwachting voor resten van jager-verzamelaars, welke binnen de hogere toppen van de rivierduinen al kunnen voorkomen vanaf 30/50 cm -mv. Resten van jager-verzamelaars zijn op verschillende rivierduinen nabij het plangebied/tracé aangetroffen tijdens eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek, dat tot op heden vooral is uitgevoerd nabij het noordwestelijke deel van het plangebied/tracé.

De overgangen van het Laagterras naar de stroomdalen en lokale beekdalen, zogenaamde laagterrasranden, vormde tijdens het (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum gradiëntzones en vormde ook geschikte locaties voor (tijdelijke) kampementen tijdens deze perioden. Onduidelijk is echter waar deze laagterrasranden liggen, en in welke mate zij al door prehistorische erosie vanuit de rivieren opgeruimd zijn. Resten van jager-verzamelaars kenmerken zich voornamelijk door clusters van haardkuilen en oppervlaktehaarden, aangevuld met vuursteen-strooiingen. Tevens konden direct langs rivierdalen en hierop afwaterende lokale beekdalen, specialistische activiteiten worden ontplooid. Voor zones binnen de uiterst noordwestelijke en noordoostelijke delen van het plangebied/tracé geldt dan ook een verhoogde kans op het voorkomen van zogenaamde watergerelateerde resten, maar welke vaak niet meer dan puntlocaties vormen (denk aan jacht op wild, gebruik van visfuiken, aanlegplaatsen met resten van kano’s en andere afgedankte (houten) objecten.

Binnen het dekzandgebied/het met dekzand bedekte Laagterras zullen de dekzandruggen/-koppen ook voldoende gunstige locaties hebben gevormd voor tijdelijke bewoning, en dan vooral in de nabijheid van waterlopen. Omdat de meeste waterlopen echter nog niet gelokaliseerd zijn en vooralsnog ‘overal’ in het dekzandgebied zouden kunnen liggen, geldt voor een groot deel van het plangebied/tracé een lage tot middelhoge verwachting voor resten van jager-verzamelaars. Op basis van het bureauonderzoek bevindt het dekzand zich binnen grote delen van het plangebied/tracé op een diepte van -7 m NAP dan wel dieper, in de uiterst noordwestelijke en noordoostelijke delen van het plangebied/tracé zelfs dieper dan -9 m NAP. Dit geldt tevens voor de laagterrasranden. Door deze relatief diep liggen, meerdere meters onder het huidige maaiveld, worden resten van jager-verzamelaars normaliter niet bedreigd door bodemingrepen, zo ook voor een groot deel van het geplande kabeltracé buiten de rivierduinen.

Aan het einde van het Mesolithicum en het begin van het Vroeg-Neolithicum vernatte het gebied in hoog tempo. Aan het begin van het Neolithicum waren de delen dieper dan -7,5 m NAP met veen bedekt waardoor deze niet bewoonbaar waren. In deze periode lag een groot deel van het plangebied/tracé binnen een onbewoonbaar veengebied. Alleen de (hoge delen van de) rivierduinen staken nog boven het veen uit. De rivierduinen bleven geschikt voor bewoning en hebben dan ook een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit het Vroeg-Neolithicum (vroege-landbouwers, Swifterbantcultuur). Sporen en resten uit deze periode kunnen bestaan uit afvalkuilen, grafkuilen en paalkuilen, aangevuld met vuursteen en/of aardewerk. Voor een groot deel van het plangebied is de verwachting verder laag op het voorkomen van archeologische resten uit het Vroeg-Neolithicum.

Tegelijkertijd nam gedurende het vijfde millennium v. Chr. de invloed van de zee toe, via de open Noord-Hollandse kust, en werden langs en in de geulen van de stroomdalen van de Overijsselse Vecht en de IJssel klei afgezet. Rond 4400 v. Chr. werden langs de getijdegeulen zogenaamde Unio-I-oeverwallen gevormd. De noordwestelijke, noordoostelijke en uiterst zuidoostelijke delen van het plangebied/tracé doorsnijdt de stroken waar deze oeverwallen worden verwacht. Voor deze oeverwalzones geldt een middelhoge verwachting voor de periode Midden-Neolithicum A (vroege-landbouwers, oudere fasen Trechterbekercultuur), naast een verhoogde kans op watergerelateerde resten in getijdegeulen. Resten kunnen in de oeverwallen/oeverzones al worden aangetroffen vanaf 50 cm -mv. Ook de rivierduinen waren tijdens deze periode nog geschikt voor bewoning.

Aan het eind van het vijfde millennium kwam de Noordoostpolder buiten de directe zee-invloed te liggen, als gevolg van het dichtslibben van getijdegeulen. De waterafvoer verslechterde en het riet- en zeggenmoeras breidde zich steeds verder uit. Vanaf het Midden-Neolithicum B lag waarschijnlijk het gehele plangebied/tracé in een omvangrijk gebied waar sprake was van een zeggenmoeras. Ook de rivierduinen ter hoogte van de noordwestelijke, centraal-noordelijke, noordoostelijke en uiterst zuidoostelijke delen van het plangebied/tracé waren vrijwel geheel overgroeit/bedekt geraakt met zeggenvegetatie. Tijdens de navolgende perioden vanaf het Laat-Neolithicum t/m de Vroege-Middeleeuwen zal het plangebied/tracé een ligging hebben gehad in een uitgestrekt veengebied/veenmoeras en waarbij rond 3400 v. Chr. ook hoogveenvegetaties tot ontwikkeling kwamen in de slechts ontwaterde delen van het veengebied. Voor de perioden Midden-Neolithicum B t/m de Vroege-Middeleeuwen is de verwachting dan ook zeer laag. Er zijn wel door archeologisch onderzoek wel aanwijzingen gevonden voor bewoning op het veen, en misschien wel op veenterpen. Omdat de veenpakketten uit de late prehistorie relatief hoog lagen, waren zij extra kwetsbaar voor erosie en zijn dan merendeels door het water opgeruimd. Vanaf circa 1700 v. Chr. ontstonden namelijk steeds groter wordende meren, welke uitgroeide tot het Flevomeer en in de eerste eeuw n. Chr. in verbinding kwam te staan met de Waddenzee, waardoor het zogenaamde Almere ontstond. Vanaf circa 1200 werd het Almere groter en maakte het plangebied/tracé hiervan deel uit. Vanaf de 14e eeuw werd de binnenzee aangeduid als Zuiderzee. Door golf-/stormwerking is veel van het veen verslagen en heeft navolgend sedimentatie van de zogenaamde Almere Laag en Zuiderzee-afzettingen plaatsgevonden. Deze afzettingen zullen in een groot deel van het plangebied een dikte hebben van circa 2 meter. Ook kunnen de toppen van de rivierduinen zijn aangetast/geërodeerd (abrasie).

Voor de perioden Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd is de verwachting laag, uitgezonderd voor losse scheeps-resten/resten van scheepswrakken en andere watergerelateerde resten uit deze perioden. Het gaat hierbij echter om toevalsvondsten die niet door middel van prospectief onderzoek opgespoord kunnen worden. Locaties van scheepswrakken zijn veelal bekend, vanwege hun ondiepe ligging en dat deze al tevoorschijn zijn gekomen door agrarische ontginning/agrarisch gebruik van het overgrote deel van het poldergebied (en navolgend zijn gedocumenteerd). Verder geldt er voor een zone in het centraal-noordelijke deel van het plangebied/tracé, direct ten zuidoosten van de brug waar de Karel Doormanweg over de Nagelervaart loopt, een verhoogde kans op onderdelen van een geallieerd vliegtuig (Lancaster Mk.I), vanwege een nabijgelegen crash-locatie (de precisie van de crashlocatie is wel aangeduid als redelijk, daarmee niet exact bekend). Ook hiervoor zal het gaan om puntlocaties die niet door middel van prospectief onderzoek opgespoord kunnen worden.

Conclusie Het bureauonderzoek toont aan dat er zich in het plangebied/tracé mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden. Er geldt voor de perioden (Laat-)Paleolithicum en Mesolithicum een hoge verwachting voor zones binnen de noordwestelijke, centraal-noordelijke, noordoostelijke en uiterst zuidoostelijke delen van het plangebied/tracé, waar rivierduinen worden verwacht/worden oversneden. Voor het merendeel van het plangebied/tracé geldt voor deze perioden een lage tot middelhoge verwachting, waarbij eventueel aanwezige resten zich op grotere diepte zullen bevinden (meerdere meters onder het huidige maaiveld). Voor de periode Vroeg-Neolithicum en Midden-Neolithicum A geldt ook nog een hoge verwachting voor waar zich (de hogere delen van) rivierduinen bevinden. Voor zones in de noordwestelijke, noordoostelijke en uiterst zuidoostelijke delen van het plangebied/tracé geldt een middelhoge verwachting voor het Midden-Neolithicum A waar getijdegeulen met naastgelegen Unio-I-oeverwallen worden verwacht/worden oversneden.

Advies In relatie tot de geplande bodemingreep (aanleg van elektriciteitskabels deels in een open ontgraving waarvoor graafwerkzaamheden zullen worden uitgevoerd tot circa 1/1,3 m -mv) wordt geadviseerd in de zones waar rivierduinen en oeverzones/Unio-I-oeverwallen worden verwacht (zie kaart 21), een inventariserend veldonderzoek door middel van een verkennend booronderzoek (KNA protocol 4003, IVO-O) te laten uitvoeren. Omdat het plangebied/tracé een lijnvormig element betreft, wordt geadviseerd de boringen in één boorraai te zetten over de hartlijn van het geplande kabeltracé, en met een afstand van 50 meter tussen de boringen. De exacte locatie van het geplande kabeltracé, als ook waar elektriciteitskabels zullen worden aangelegd in een open ontgraving en waar middels gestuurde boringen, dient eerst door de initiatiefnemer te worden bepaald. Het verkennend booronderzoek zal vooral gericht zijn om de mate van intactheid van de top de rivierduinen en oeverzones/Unio-I-oeverwallen te bepalen.

Daar waar de top de rivierduinen en oeverzones/Unio-I-oeverwallen intact is, wordt geadviseerd het booronderzoek uit te breidden met een karterend booronderzoek en de boorraai te verdichten met een boorinterval 25 meter (afstand van 25 meter tussen de boringen). Van het opgeboorde materiaal dient de laag/dienen de lagen waarin archeologische indicatoren meest waarschijnlijk kunnen worden verwacht, te worden doorzocht op archeologische indicatoren door het te zeven met behulp van een zeef met een maaswijdte van 4 mm (waar het zand betreft/top rivierduinafzettingen) dan wel te versnijden/verbrokken (waar het klei betreft/top Unio-I-oeverafzettingen). Het zeefresidu dan wel het versneden/verbrokkelde materiaal dient geïnspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrande leem, bot etc. Door middel van het karterend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied/tracé archeologische resten in situ te verwachten zijn en of er nog archeologische sporen kunnen worden verwacht.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/M9ROTC
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/M9ROTC
Provenance
Creator E.M. ten Broeke
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, E.M. ten; Sweco
Publication Year 2025
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, E.M. ten (Sweco)
Representation
Resource Type Archeologisch bureauonderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 10760132
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem