Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een lage verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum en heeft het noordoostelijke deel van het plangebied een middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten daterend vanaf het Mesolithicum t/m de Middeleeuwen. Verzamelde landschappelijke gegevens geven aan dat het plangebied binnen het relatief laaggelegen Maasterras ligt en daarbij specifiek centrale en zuidwestelijke deel binnen een oude restgeul en het noordoostelijke deel op de naastgelegen oeverzone binnen de terrasvlakte. Deze oeverzone binnen de terrasvlakte was wellicht voldoende geschikt als (tijdelijke) bewoningslocatie. Hoewel de omgeving van het plangebied van oudsher aan de natte kant was, geven de verschillende waarnemingen op het Maasterras aan dat er zowel in de Prehistorie als in de Middeleeuwen bewoning is geweest. De meeste voorkeur zal wel zijn uitgegaan naar de westelijker gelegen terrasrand naar het hoger gelegen Allerød maasterras. Voor het centrale en zuidelijke deel van het plangebied, behorend tot de restgeul, is de verwachting over het algemeen laag. Er geldt alleen verhoogde trefkans voor resten op het voorkomen van vindplaatsen gerelateerd aan water gebonden economische en rituele activiteiten, echter pas wanneer binnen aangrenzende, hoger gelegen terreindelen ook aanwijzingen zijn dat er bewoningsactiviteiten hebben plaatsgevonden. Voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting ook laag. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal geeft geen aanleiding dat er binnen dan wel in de directe omgeving van het plangebied historische erven hebben gelegen of dat er sprake is van oude woongronden.
Resultaten inventariserend veldonderzoek
De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) laten zien dat binnen het gehele plangebied reeds diepgaande bodemverstorende ingrepen zijn uitgevoerd, welke zeer waarschijnlijk gerelateerd zijn aan de bouw (jaren ’70 van de 20e eeuw) en sloop (tijdens de bouw van het ten noordwesten gelegen woonzorgcentrum Weijerstaete, vanaf 2013) van verzorgingsflats, als andere inrichtingswerkzaamheden. Ook boringen gezet buiten de contouren van de voormalige verzorgingsflats (in ieder geval de boringen 1, 3, 6, 8 en 9) laten een verstoorde bodemopbouw zien. De gezette boringen laten tot een gemiddelde diepte van 145 cm -mv bouwzand/stabilisatiezand dan wel recent geroerde/verstoorde lagen grond zien, met vooral in de top resten beton- en baksteenpuin en plastic. De onverstoorde bodem betreft direct de Cg-horizont, waar bij enkele boringen in het zuidwestelijke tot centrale deel van het plangebied nog een dunne laag sterk zandige klei is aangetroffen, als mogelijk restant van een van een (post-Romeinse) restgeulopvulling. Verder is direct sprake van een overgang naar wat waarschijnlijk een restant van een Vroeg-Holocene opvulling van de restgeul dan wel een oeverdek betreft (noordoostelijke deel plangebied), bestaande uit matig siltig/lemig, zeer fijn zand, met hieronder de overgang naar terrasafzettingen/terraszand van het Jonge Dryas Maasterras.
Slechts bij één boringen binnen het noordoostelijke deel van het plangebied is een dikker intact oeverdek aangetroffen. Een deel van de ter plaatse bovenliggende humeuze grond heeft wellicht deel uitgemaakt van een oorspronkelijk plaggendek, maar van een intact restant van een zogenaamde hoge enkeerdgrond is geen sprake. Daarbij geldt eveneens dat bij alle andere gezette boringen géén intact (restant van het) oorspronkelijke bodemprofiel is aangetroffen, of dit nou een hoge enkeerdgrond is geweest (noordoostelijke deel plangebied) dan wel een poldervaaggrond/oude rivierklei-grond (zuidwestelijke en centrale deel plangebied). Verder is in géén van de boringen een mogelijk oudere bodems (paleobodems) waargenomen, als potentieel ouder loopniveau. De verwachting is dan ook het archeologisch potentiële vondst- als sporenniveau merendeels, zo niet geheel is verstoord/aangetast, dan wel dat hier verder geen sprake van is.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat op basis van de resultaten van het booronderzoek, waarbij sprake is van een diepgaand en sterk verstoorde/vergraven bodemopbouw, restanten van het te verwachten oorspronkelijke/van nature gevormde bodemprofiel ontbreken en geen mogelijk oudere bodems (paleobodems) zijn waargenomen, er geen aanleiding meer is om nog intacte/in situ gelegen restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij nog een middelhoge verwachting gold voor de perioden Mesolithicum t/m de Middeleeuwen voor het noordoostelijke deel van het plangebied, kan dan ook worden bijgesteld naar een lage verwachting. Ook de trefkans van nog in situ aanwezige resten van zogenaamde water-/rivierdalgebonden activiteiten in het zuidwestelijke tot centrale deel van het plangebied wordt klein geacht.
Advies
Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Er is sprake van een duidelijk verstoorde bodemopbouw binnen het gehele plangebied en het archeologisch potentiële vondst- als sporenniveau is merendeels, zo niet geheel verstoord/aangetast. Verder ontbreekt het aan mogelijk oudere bodems (paleo-bodems), als potentieel ouder loopniveau.
Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) en de gemeente Land van Cuijk.