Archol heeft in opdracht van de gemeente Reusel‐De Mierden op 5 juli 2021 een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in plangebied Wilhelminalaan Zuid‐Nieuwe Markt binnen de dorpskern van Reusel in opdracht van de Gemeente Reusel‐ De Mierden. In verband met het voornemen het gebied ten zuiden van de Wilhelminalaan, in het centrum van Reusel, te herontwikkelen, is een bestemmingsplanwijziging nodig. De voorgenomen herontwikkeling voorziet in de realisatie van een nieuwe supermarkt met bovenwoningen en een ondergrondse parkeergarage. De geplande werkzaamheden zullen hier de bodem tot een diepte van minstens 0,8 – 1 m beneden maaiveld verstoren. Hierbij worden ook archeologische resten bedreigd, die zich in top van deze top bevinden. De archeologische beleidskaart van de gemeente Reusel‐De Mierden en voorgaande onderzoeken wijzen namelijk op een hoge archeologische verwachting van resten uit de prehistorie tot en met de middeleeuwen, mede gezien de ligging op een lage dekzandrug en binnen de zone met historisch kern en daaraan gerelateerde (bouw)linten. Het doel van het inventariserend veldonderzoek was in kaart brengen of er archeologische resten aanwezig zijn binnen het terrein, hoe oud deze resten is en of ze tot een behoudenswaardige vindplaats behoren. In het Programma van Eisen is tevens rekening gehouden met een doorstart naar een opgraving bij het aantreffen van een of meerdere behoudenswaardige vindplaatsen.Het plangebied heeft een omvang van ca. 1 ha. Het veldonderzoek beperkte zich tot de noordelijke helft van het terrein dat een omvang heeft van ca. 6500 m2: het onderzoeksgebied. De zuidelijke helft van het plangebied is buiten beschouwing gelaten, omdat dit gebied als groenbestemming is aangemerkt binnen de herontwikkeling. Uitgaande van de geringe verstoringen die hier plaatsvinden, blijven eventueel aanwezige archeologische waarden behouden.In totaal is 591 m2 van de noordelijke helft − het onderzoeksgebied van 6500 m2 − opgegraven: er zijn zes proefsleuven gegraven tot in de top van het Pleistocene dekzand, waarin sporen de werden verwacht. Dit sporenvlak is gedocumenteerd. Daarnaast zijn er verspreid over de proefsleuven twaalf profielkolommen van de sleufwanden gedocumenteerd om de bodemopbouw vast te leggen. Bij het onderzoek zijn in totaal zes sporen aangetroffen, waarvan drie archeologische sporen. Het gaat om één kuil en twee greppels. Er zijn geen vondsten aangetroffen bij het onderzoek.Het terrein blijkt redelijk hoog verstoord, echter vooral vrij lokaal: met name in het noordoosten is de oorspronkelijke bodemopbouw verstoord tot in de top van het Pleistocene zand; waarschijnlijk als gevolg van de bouw en sloop van zowel een oud gemeentehuis als een oud klooster. In de overige, meer intacte delen is een bodem met enkeerdgrond (ook wel ‘esdek’ genoemd) aangetroffen. In een van de proefsleuven (werkput drie), was onder het esdek, in de top van het dekzand nog een oude ploeglaag te onderscheiden. Deze bleek goed bewaard onder het dikke pakket van de enkeerd. Uitgaande van bekende bewoning uit de omgeving in een soortgelijke landschappelijke ligging zou de ploeglaag uit de periode (vroege middeleeuwen tot) Romeinse tijd kunnen stammen. Het onderzoek heeft echter geen (aardewerk)vondsten opgeleverd voor een scherpe datering.Ofschoon het onderzochte terrein slechts lokaal verstoord blijkt, zijn er nauwelijks archeologische sporen aangetroffen in de top van het dekzand (C‐horizont). De lage dichtheid en de aard van sporen, met name losse greppels, wijzen op een agrarisch buitengebied dat was ingedeeld met verkavelingsgreppels. De greppels zijn in de top van het dekzand (onder het esdek), maar ook onderin het esdek zelf waargenomen. Er is geen vondsmateriaal in het sporenvlak aangetroffen, dus de ouderdom van de sporen is niet bekend. Baksteenpuin dat her en der in het afdekkende esdek (met akkerlaag onderin) is aangetroffen, doet echter vermoeden dat de datering gezocht moet worden in de periode late middeleeuwen‐Nieuwe tijd.Na afloop van het proefsleuvenonderzoek heeft ter plekke een overleg plaats gevonden met de opdrachtgever, het bevoegd gezag en de archeologisch adviseur. Tijdens dit overleg is geconstateerd dat de archeologische resten in de noordelijke helft van het plangebied niet behoudenswaardig zijn. Daarom is dan ook afgezien van een doorstart naar een opgraving. De hoge verwachting voor de noordelijke helft van het plangebied naar beneden tot ‘laag’ en deze zone is vrij te geven voor de geplande herontwikkeling. In de niet onderzochte zuidelijke helft, die als groenbestemming is aangemerkt binnen de herontwikkeling, blijft de dubbelbestemming archeologie behouden.