Naam: Soehirman PatmoAchternaam: PatmoGeboorteplaats: ReijnsdorpGeboortedatum: 27 september 1950Woonplaatsen: Suriname 1950 - 1970; Nederland 1970 - 1981; Thailand 1981 - 1983; Indonesia 1983 - 1986; Nederland 1987 - 2007; Thailand 2007 -Bakkie was een kleine Javaanse gemeenschap, een zogenaamde dorpsgemeente. Er was een Hindoestaanse lurah (dorpshoofd), Parman geheten. Hij was met een Javaanse getrouwd. Na Parman werden Javaanse 'lurahs' gekozen: eerst Maridjo en toen Poenidin. De meerderheid van de dorpsbewoners was Javaan. Er waren enkele Hindoestaanse families, die aan de rand van het dorp woonden. Ik kan me herinneren dat er ook een Creoolse familie was: een heel leuke familie. In die familie was er een mevrouw die een houten been had. Zij werd oma genoemd en zij stond bekend als de wasvrouw. Zij verkocht ook kokoskoekjes en 'bojo'. Ik vond het altijd knap hoe ze met haar houten been op de dunne balken van de smalle bruggetjes het water overstak. Voor de rest woonden er alleen Javanen op Bakkie. Zeker rond de honderd families.Bakkie was in de jaren ‘50 een redelijk goedlopende dorpsgemeente. Sommige mensen werkten op de plantages, zoals Alliance. Maar de meesten waren landbouwers en vissers. De mensen van Bakkie konden kostgrondjes aan de Matapica huren. Ze gingen daar met hun boot naartoe. Voor zover ik me kan herinneren waren het meestal de ouderen die nog rijst verbouwden. De rijst werd geoogst met een 'ani-ani' (mesje om rijst te oogsten, erg tijdrovend). Mijn grootmoeder deed dat ook. Slechts enkelen gebruikten de 'arit' (sikkelvormig mes, minder arbeidsintensief) bij de oogst. De rijstbouw werd gedaan op basis van 'gotong-royong' (wederzijdse hulp), in het dorp 'sambatan' (burenhulp) genoemd. Om de beurt hielp men elkaar tijdens het planten en oogsten. Dit deed men ook wanneer er een feest werd georganiseerd in het dorp zoals een 'tayub' (feest met mogelijkheid om tegen een financiële bijdrage met een danseres te dansen) of een 'wayang'-voorstelling, of bij een huwelijk, besnijdenis of de 'Bersih Desa': dat is het feest na de rijstoogst.
Ik was in het begin teleurgesteld dat ik geen medicijnen kon studeren. Ik koos uiteindelijk voor antropologie, maar ik heb daar echt geen spijt van gehad. De studie in Leiden is mij goed bevallen en ik wilde altijd al in het buitenland werken. Mijn focus was op het buitenland gericht, met name Indonesië en de Zuid-Oost-Aziatische regio. Ik las daar veel over. Ik werd lid van het KITLV en spendeerde veel tijd in de bibliotheek. Ik heb daar ontzettend veel gelezen over de koloniale geschiedenis van Indonesië en over Javaanse kunst en cultuur.
Mijn indruk van Nederland was dat het een land is van regelmaat. Alles was goed geregeld en alles was schoon. De Surinaamse studenten die met een beurs in Nederland konden studeren, werden opgevangen in een groot huis, dus de overgang was niet problematisch. We deden samen boodschappen en we kookten samen. Na een paar maanden moest iedereen naar een studentenhuis, maar het bleef een hechte groep. We werden lid van de Leidse International Students Club (LISC), waar je veel contact had met buitenlandse studenten. Er was ook een Surinaamse studentenvereniging.
In 1976 ging ik terug naar Suriname, naar Commewijne. Met een paar studievrienden uit Amsterdam hebben wij daar onze doctoraalstage gedaan. Ons onderzoek ging over de ontwikkelingsmogelijkheden van de rechteroever van de Commewijne. Het onderzoek concludeerde dat er ontwikkelingsmogelijkheden zijn, maar dat er grote beperkingen zijn door de fysieke omstandigheden in Commewijne, zoals de staat van de plantages, de waterhuishouding en de infrastructuur.Ik was een ijverige student. Ik heb in het eerste jaar al mijn tentamens gehaald met vrij hoge cijfers, want ik vond de studie leuk. De jaren ‘70 waren roerige jaren. Ik studeerde in een periode van de Vietnamoorlog, de vrijheidsbewegingen en guerrillas in Latijns-Amerika. Er werd veel gediscussieerd over dekolonisatieprocessen in de derde wereld. Er waren actiegroepen en iedereen leefde mee met de wereldwijde ontwikkelingen, ook Surinaamse studenten. Ontwikkelingsproblematiek was een hot issue. Ik vond dat je niet afzijdig kon houden van armoede en onrecht. Ik ben een product van die tijd en voor mij was het duidelijk in welke sector ik later wilde gaan werken: ik wilde ontwikkelingshulp gaan doen.
Toen wij in 1983 onze periode in Thailand hadden afgerond, mochten wij van de International Labour Organization (ILO) naar Indonesië. Ik hield me bezig met een ILO-project in samenwerking met de Indonesische overheid. Het was een coöperatie managementtrainingsproject. Dit was heel anders dan wat ik daarvoor had gedaan. Geen beleidswerk op kantoor, maar direct op uitvoerend niveau met Indonesische collega’s aan de slag.Wat ons beviel, was de ontvangst door onze Indonesische broeders en zusters. Wij werden heel hartelijk ontvangen, alsof wij thuiskwamen. Ze waren erg nieuwsgierig naar ons, omdat wij Javanen uit Suriname zijn. Ze vonden het geweldig dat wij Javaans spraken, maar ook Indonesisch. Dat hadden wij in Leiden geleerd. Daarvoor hadden wij, en vooral mijn vrouw, uren doorgebracht op het talenlab in Leiden.
De baas van het ILO kantoor in Jakarta was een Indiër. Narayan heette hij. Hij zei tegen ons: ‘Jullie moeten je eerste kind in Indonesië geboren laten worden’. Dat hadden wij niet helemaal zelf in de hand, maar het is inderdaad gebeurd. Onze eerste zoon is in 1985 in Jakarta geboren.
Ik beschouw mezelf als een wereldburger. Ik heb veel langer in Nederland doorgebracht dan in Suriname. Ik was 19 toen ik naar Nederland vertrok, dus Suriname heeft maar een kort deel van mijn leven in beslag genomen. Ik voel me thuis als ik er ben, want alles is bekend en de familie is er. Maar ik voel me ook thuis in Nederland, Indonesië en nu hier in Thailand. Thuis is een relatief begrip. Voor mij is het land van geboorte niet bepalend. Ik voel me evenveel Surinamer als Nederlander.
Date Submitted: 2011-05-10
Tot aan 1939 werden circa 33.000 Javanen naar Suriname overgebracht. Na hun contractperiode vestigde de meerderheid zich in Suriname. Slechts een minderheid keerde terug naar Indonesië. De meest beschreven terugkeer is de georganiseerde repatriëring in 1954 van circa 1000 personen naar Indonesië. Deze bestond uit Javaanse ex-contractarbeiders en hun in Suriname geboren (klein)kinderen. Tegen beter weten in kwamen zij niet terecht op Java, maar in Tongar, een plaatsje in West-Sumatra. Daar bleven de meesten niet lang. Hun zoektocht naar een beter leven bracht hen naar andere plaatsen in Indonesië: Pekanbaru, Padang, Medan, Jambi, Jakarta, maar ook opnieuw naar Suriname.Veel minder bekend is de groepsmigratie in 1953 van enkele tientallen Javanen naar het buurland Frans Guyana. Vermoedelijk zijn tot aan het eind van de jaren 60 nog meer personen in groepsverband naar Frans Guyana vertrokken. Tijdens de Surinaamse binnenlandse oorlog weken ook Javanen, vooral vanuit Moengo en Albina, naar Frans Guyana uit. Volgens de Franse bevolkingsgegevens van 2005 wonen momenteel zo’n 1900 Javanen in Frans Guyana.De meest recente omvangrijke landverhuizing van Javaanse Surinamers vond plaats vóór de onafhankelijkheid van Suriname in 1975, dit keer uit Suriname naar Nederland. In de ban van politieke leiders die van mening waren dat de onafhankelijkheid niet goed zou uitpakken voor de positie van de Javanen, vertrokken circa 22.000 Javanen naar Nederland. Onder hen bevonden zich ook degenen die het eerder hadden geprobeerd in Indonesië en in Frans Guyana.Deze meervoudige migratie van de Surinaamse Javanen, is het onderwerp van het levensverhalen project Javaanse Migratie en Erfgoedvorming in Suriname, Indonesië en Nederland. Om van de meervoudige migratiebewegingen en de persoonlijke ervaringen van de Javaanse migranten een helder beeld te krijgen, is een oral history-project opgezet rondom migratie en erfgoedvorming onder de Javanen in Suriname, Indonesië en Nederland.Aan dit project werkten het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV) en de Stichting Comité Herdenking Javaanse Immigratie (STICHJI) samen.De interviews zijn te beluisteren op de website van Javanen in Diaspora, de metadata en de samenvattingen van de interviews zijn opgeslagen in EASY.