Laagland Archeologie heeft in september – oktober 2021 een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd aan de Doesburgerdijk/ Lunterseweg te Ede. Het onderzoek vond plaats in verband met de ruimtelijke procedure rondom mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Het onderzoek is uitgevoerd conform de protocollen SIKB KNA 4002 en 4003.Het bureauonderzoek had tot doel een archeologisch verwachtingsmodel op te stellen. Centraal staat daarbij de vraag of en zo ja welke archeologische resten (complextype, datering, diepteligging en gaafheid) in het plangebied kunnen worden verwacht. Hiertoe zijn landschappelijke, archeologische en historische bronnen geraadpleegd. Het plangebied ligt in een zone met gordeldekzandglooiingen, in het westen grenzend aan een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden. Ten opzichte van het oostelijk aangrenzende terrein is het laaggelegen. In het zuidoostelijke plangebied komt een tongvormige opduiking voor. Op basis van bodemkundige kaarten en historische gegevens is in het plangebied een (dun) plaggendek te verwachten. Dit plaggendek is vermoedelijk opgebracht op van origine natte zandgronden (beekeerdgronden). In de omgeving zijn veel archeologische vondsten uit diverse perioden bekend. Het merendeel daarvan ligt op de hogere zandgronden ten oosten van het plangebied. Tot de archeologische vondsten behoren resten die geassocieerd worden met nederzettingen uit onder andere het Mesolithicum tot en met de IJzertijd en nederzettingen en ijzerwin/-bewerkingslocaties uit de Vroege en Late Middeleeuwen. In historische tijden was het gebied in gebruik als bouwland (kampontginning). Het gaat daarbij om oude ontginningen (vermoedelijk Nieuwe Tijd). Op basis van een aantal archeologische boringen in het plangebied is rekening te houden met een tot in de C-horizont verstoord bodemprofiel, vermoedelijk door diepploegen.Gezien de wat vochtiger condities in het plangebied was het terrein waarschijnlijk niet bij uitstek geschikt voor landbouwers; de gronden zijn waarschijnlijk in de loop van de Nieuwe Tijd in ontginning genomen en sindsdien afwisselend als grasland en als bouwland gebruikt. Het plangebied is in historische tijden aldoor onbebouwd gebleven. Het is niet waarschijnlijk dat er vanaf de Late Middeleeuwen of later al bewoning aanwezig was.In het zuidoostelijke deel ligt een langgerekte verhoging. Dit deel correspondeert met de begrenzing van een met bomen omzoomd bouwland zoals die op een kaart uit 1832 is aangegeven; hier is waarschijnlijk een plaggendek aanwezig. Daarmee is tevens te verwachten dat de dekzandtop in dit deel wat hoger ligt. Direct zuidelijk van dit terrein is een Mesolithische vindplaats. Resten uit deze periode kunnen daarom specifiek in het plangebied worden verwacht, en dan met name in het zuidoostelijke deel (hoge verwachting). Resten uit latere perioden liggen minder voor de hand, maar kunnen op basis van de rijke bewoningsgeschiedenis van het gebied niet worden uitgesloten. Voor resten vanaf het Neolithicum tot en met de Late Middeleeuwen geldt daarom een middelhoge verwachting. Resten uit de Nieuwe Tijd – anders dan sporen van ontginning - worden niet verwacht. De kans is groot dan de bodem in het plangebied overal tot in de C-horizont is verstoord.Het uitgevoerde verkennende booronderzoek heeft tot doel het verwachtingsmodel te toetsen en zo nodig aan te vullen. Hiertoe zijn verspreid over het toegankelijke deel van het plangebied verkennende boringen gezet. In dit stadium is verkennend booronderzoek de meest efficiënte onderzoekswijze om de archeologische potentie van het plangebied in kaart te brengen. Tijdens het verkennende booronderzoek is overal een AC-profiel geconstateerd. De nog intacte dekzandtop ligt in het oostelijke deel wathoger. Over de gehele lengte van het plangebied is sprake van een verhang van ongeveer 1 m opwaarts in oostelijke richting. Resten van een plaggendek zijn nergens aangetroffen. In een drietal boringen in het hoger gelegen oostelijke deel zijn verstoorde resten van een B-horizont gezien. Dit impliceert dat de oorspronkelijke dekzandtop in het plangebied overal weliswaar verdwenen is, maar dat diepere grondsporen nog bewaard kunnen zijn gebleven. Ondiepe sporen en de vondstenlaag zijn echter verdwenen. Dit betekent dat voor wat betreft het Mesolithicum moet worden uitgegaan van een lage verwachting en dat voor latere perioden alleen geïsoleerde, diepere grondsporen kunnen worden verwacht. De archeologische waarde van dergelijke restanten van grondsporen is meestal laag.Op basis van de resultaten van het veldonderzoek wordt geadviseerd geen archeologisch vervolgonderzoek in het plangebied uit te voeren en het plangebied vrij te geven voor het aspect archeologie.De implementatie van dit advies is in handen van de bevoegde overheid, de gemeente Ede. De gemeente wordt hierin vertegenwoordigd door haar deskundige, mevrouw C. Peen. Dit rapport is niet beoordeeld.Mochten tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, of resten waarvan redelijkerwijze kan worden vermoed dat het om archeologische resten gaat, dan geldt op grond van de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht. Dit kan bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE, www.cultureelerfgoed).