Conclusies BO-IVO (2011) en memo (2021).
Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied gelegen is in een dekzandvlakte op een ondergrond van rivierklei en lössleem. Binnen het plangebied worden archeologische resten verwacht uit de perioden neolithicum, ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen. Uit het inventariserend veldonderzoek blijkt dat de bodem over het algemeen lager gelegen is en overwegend te nat is geweest voor bewoning, gezien de aanwezigheid van veel roest (oerbanken) en humeuze tot venige resten. Er zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen in de boringen of aan het oppervlak. Uit de memo (2021) blijkt dat het niet onderzochte gedeelte alsnog archeologisch onderzocht dient te worden, omdat het gebied conform de geldende beleidsregels de vrijstellingsgrenzen overschrijdt. Daarnaast geldt voor een gedeelte van deze zone een specifieke verwachting op het aantreffen van restanten uit de Tweede Wereldoorlog, meer concreet een FLAK stelling.
Conclusies IVO-O (2021).
Tijdens het uitgevoerde booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren of overduidelijke sporen aangetroffen die in verbinding kunnen worden gebracht met de FLAK stelling die deels op de locatie van het plangebied heeft gestaan. Wel worden er een aantal verstoringslagen (in boringen 11, 15 en 18) als verdacht aangemerkt, met name omdat aan de hand van oud fotomateriaal kan worden bevestigd dat de FLAK stelling wel degelijk op deze locatie gesitueerd was. Daarnaast gaat het hier om een verkennende fase van het inventariserend veldonderzoek door middel van boringen. Het doel van de verkennende fase van het veldonderzoek is het in kaart brengen van de bodemopbouw en het aantonen van eventuele bodemverstoringen. De afwezigheid van archeologische indicatoren kan dan ook niet worden beschouwd als indicatie voor de afwezigheid van een archeologische vindplaats. De archeologische verwachting voor de periode Tweede Wereldoorlog, meer specifiek voor de FLAK stelling, blijft gehandhaafd. De archeologische verwachting voor alle overige periodes blijft laag. Er zijn geen (potentiële) archeologische lagen in het gebied aangetroffen. De profielen bevatten geen aanwijzingen voor bodemvorming / podzolidatie. Wel zijn er over het algemeen wat roest(vlekken) en/of plantenresten en humeuze insluitingen in de boringen aangetroffen. Sporadisch komen mangaanconcreties of veeninsluitingen voor. Deze kenmerken hebben waarschijnlijk te maken met de relatief lage ligging van het plangebied.
Advies.
Antea Group adviseert om vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding van de werkzaamheden uit te voeren ter plaatse van het noordelijke gedeelte van het plangebied, te weten boringen 11 t/m 15, 17 en 18. De aangetroffen vergravingen zijn mogelijk te relateren aan de FLAK stelling en de locatie betreft in feite een bekende vindplaats. Daarnaast wordt geadviseerd om de overige gedeeltes van het plangebied vrij te geven ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling.
De onderhavige rapportage is voorgelegd aan en beoordeeld door de bevoegde overheid. In het plangebied dient archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. Proefsleuven (IVO-P) te worden uitgevoerd.
Antea Group Archeologie 2021/154
Projectnummer: 452561