Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (17640.001) Betuwestraatweg te Kesteren

DOI

Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden Midden-/Laat-Romeinse tijd. Deze verwachting is gebaseerd op de veronderstelde ligging binnen de Mars - Oude Rijn stroomgordel, met specifiek het zuidelijke deel langs de noordelijke oever van de laatste restgeul. Deze restgeul wordt ook wel aangeduid als de loop van de Oude Rijn of de oude zuidelijke tak van de Nederrijn. De Mars - Oude Rijn stroomgordel is ontstaan rond het begin van de jaartelling en is tot relatief recent actief geweest (tussen 95 tot 1540 na Chr., Midden-Romeinse tijd t/m Late-Middeleeuwen B). Nog tijdens de Romeinse tijd is de huidige Nederrijn ontstaan en heeft later mogelijk delen van de Romeinse resten geërodeerd. De zuidelijke tak van de Nederrijn (Mars of Oude Rijn) stroomde tot in de Middeleeuwen vlak langs Kesteren. Door de natuurlijke migratie van de geul van de rivier zijn mogelijk delen van de oudere stroomgordel opgenomen en opnieuw afgezet. Dit heeft mogelijk ook plaatsgevonden binnen het plangebied, aangezien het tot het kronkelwaardgebied wordt gerekend. Voor de periode Middeleeuwen is de verwachting middelhoog, omdat er geen directe aanwijzingen zijn voor bewoning in het gebied of uit de directe omgeving (geen vondstmeldingen binnen het plangebied van oppervlaktevondsten (bijvoorbeeld vanuit een oppervlaktekartering) dan wel uitgevoerde archeologische onderzoeken in de (directe) nabijheid van het plangebied). Voor de periode Nieuwe tijd is de verwachting laag, omdat er vanuit geraadpleegd historisch kaartmateriaal geen duidelijke aanwijzingen dat er binnen het plangebied een historisch (Nieuwe tijds) erf/historische erven aanwezig zijn geweest.

Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) laat goede overeenkomsten zien met de in het bureauonderzoek beschreven paleogeografische ontwikkeling van het plangebied. Binnen het overgrote deel van het plangebied komen oever-/kronkelwaard- op beddingafzettingen voor, bestaande uit bovenin veelal sterk zandige klei en neerwaartse richting geleidelijk overgaand in sterk kleiig zand en vervolgens zwak siltig, zeer fijn tot matig fijn zand (in opwaartse richting juist een kenmerkende verfijning van textuur (fining up sequentie)). Centraal in het plangebied loopt van noordoost naar zuidwest een meandergeul, waar tot grotere diepte matig tot sterk zandige klei voorkomt, gevolgd door plaatselijk deels zwak humeus, sterk kleiig, zeer fijn zand. De uiterst zuidwestelijke strook van het plangebied ligt binnen een restgeul, waar restgeul- op beddingafzettingen zijn afgezet. Gezien de geringe dikte van het pakket restgeulafzettingen dient er rekening te worden gehouden dat een deel van het oorspronkelijke pakket restgeulafzettingen ontgraven is, om ervoor te zorgen dat de dat de restgeul bleef fungeren als sloot/watergang van waaruit overtollig regenwater snel kon worden afgevoerd. Diepgaande bodemverstorende ingrepen zijn bij de gezette boringen niet waargenomen. Veelal is sprake van een intacte, kalkhoudende ooivaaggrond, met onder de huidige bouwvoor (Ap-horizont) nog een (zeer) zwak ontwikkelde verwerings-Bw-horizont. Bij slecht enkele boringen zijn iets diepere verstoringen waargenomen, maar zijn ook veelal beperkt tot de bovengrond (bovenste 50/60 cm). Het archeologisch potentiële sporenniveau zal dan ook nog (deels) intact aanwezig zijn, waarbij archeologische sporen (indien aanwezig) meest zichtbaar zullen zijn op de overgang van de verwerings-Bw-horizont naar de C-horizont.

Ondanks de verkennende fase van het booronderzoek is bij twee boringen in de bouwvoor een fragment Siegburg steengoed (datering 1280-1320) en bij boring 45 een fragment roodbakkend aardewerk (datering 1500-1700) aangetroffen. Voor deze twee fragmenten geldt dat deze geen ligging hebben in situ (resten in de bewerkte bouwvoor), maar kunnen nog wel gezien worden als aanwijzing voor de mogelijke aanwezigheid van een archeologische vindplaats.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het plangebied, vanwege de merendeels intacte oorspronkelijke bodemopbouw (er zijn geen grootschalige diepgaande recente bodemverstorende ingrepen waargenomen), zijn middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten voor de perioden Midden-Romeinse tijd t/m de Middeleeuwen behoudt.

Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Er is namelijk over het algemeen sprake van een merendeels intacte bodemopbouw binnen het plangebied (moderne bodemverstoringen beperken zich veelal tot de huidige bouwvoor), waardoor het zijn middelhoge verwachting behoudt op de aanwezigheid van archeologische resten en/of sporen. Geadviseerd wordt het vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/AR/8VGKCJ
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/AR/8VGKCJ
Provenance
Creator Broeke, E.M. ten
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor Broeke, E.M. ten; Econsultancy
Publication Year 2022
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact Broeke, E.M. ten (Econsultancy)
Representation
Resource Type Archeologisch prospectief onderzoek; Dataset
Format application/pdf
Size 16484129
Version 1.0
Discipline Humanities
Spatial Coverage Doetinchem