In opdracht van de provincie Fryslân heeft RAAP in juni en juli 2020 in het noordwesten van Fryslân een waarderend archeologisch booronderzoek uitgevoerd op zes AMK-terreinen en één mogelijke archeologische vindplaats. Het onderzoek vond plaats in het kader van het Terpenproject van de provincie Fryslân. Het betreft de AMK-terreinen 5G-04 (een verhoogde woonplaats), 5G-68 (terp), 5G- 74 I en aansluitend 5G-74 II (terpen), 5G-85 (terp) en 5G-86 (terp). Ten zuiden van 5G-86 bevindt zich onderzoeksgebied Arkens, een mogelijke verhoogde boerderijplaats.Op de genoemde terreinen heeft, met uitzondering van Arkens, eerder archeologisch onderzoek uitgevoerd. Deze oude onderzoeken bestonden uit een bureau- en een veldonderzoek. Tijdens het veldonderzoek werd het maaiveld van de terreinen ingemeten ten opzichte van NAP (met uitzondering van 5G-04) en werden boringen gezet. Het resultaat van dit onderzoek wordt als de nul-situatie beschouwd. Aangezien na deze onderzoeken respectievelijk 18 jaar (5G-04), 28 jaar (5G-68) en 26 jaar (5G-74I, 5G74II, 5G-85 en 5G-86) is verstreken bestaat de behoefte aan informatie over de huidige kwaliteit van deze terreinen. De dikte en morfologie van het archeologische pakket zijn tijdens onderhavig onderzoek als de kwaliteitsbepalende factoren opgevat (indicatief voor de conserveringstoestand van de terreinen), omdat dit middels booronderzoek relatief eenvoudig meetbaar is.De eerste hypothese is dat de kwaliteit van de terreinen afneemt als ze regelmatig in gebruik zijn als bouwland. Als gevolg van de combinatie van mechanische (ploegen, egaliseren) en natuurlijke erosie (regen, wind) vlakken de terreinen af. Er verplaatst zich namelijk grond van de hogere naar de lagere delen van de terreinen, waardoor het archeologische pakket dunner wordt op de hogere delen van de terreinen.De tweede hypothese is dat het archeologische pakket de afgelopen decennia verdroogt, wat zorgt voor (versnelde) oxidatie van de hierin aanwezige onverbrande organische archeologische resten. Doel van het onderzoek is om te achterhalen of er aanwijzingen zijn voor beide bovengenoemde hypotheses, met andere woorden zijn er aanwijzingen dat de kwaliteit (gaafheid en conservering) en daarmee de waarde van de terreinen achteruit is gegaan. Bepaald moet worden of hun huidige waarde reden is voor het verbinden van een kwalitatieve verplichting aan de betreffende percelen of delen daarvan dan wel het aankopen en verpachten van percelen onder archeologie sparende voorwaarden. Daarom is opnieuw een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn vergeleken met die van de eerdere onderzoeken. De oude en de nieuwe boringen zijn met elkaar vergeleken, en de oude maaiveldgegevens zijn naast de situatie in 1998/1999 (AHN1), in 2008 (AHN2) en in 2014 (AHN3) gelegd. Ook is het historisch grondgebruik van de terreinen/percelen vastgesteld.De eerste hypothese kon alleen voor de terreinen 5G-68 en 5G-74II volledig worden getoetst, aangezien deze de afgelopen decennia in gebruik zijn geweest als bouwland. De terreinen 5G-04, 5G- 74I, 5G-85 en 5G-86 zijn namelijk na het oude archeologische onderzoek (vrijwel) alleen als grasland in gebruik geweest. De hypothese wordt door de resultaten van het onderhavige onderzoek niet ondersteund. Aan de hoogte van het maaiveld (in NAP), de aanwezige hellingen en de algehele vorm (morfologie), de dikte van de bouwvoor en de dikte van het archeologische pakket zijn geen noemenswaardige veranderingen geconstateerd. Wel is op de meeste terreinen een algehele bodemdaling geconstateerd. Aangezien een aantal oude en nieuwe boorbeschrijvingen niet goed vergelijkbaar zijn, is het lastig gebleken iets te zeggen over een eventuele afname van de dikte van het archeologische pakket. Als er al sprake is van erosie en/of sedimentatie, dan zijn de effecten daarvan op de onderzochte terreinen dermate gering geweest dat dit niet waarneembaar is op de opeenvolgende hoogtekaarten. Om meer informatie te kunnen verzamelen over de mate van verstoring en erosie op terpen die in gebruik zijn als bouwland, zal onderzoek moeten plaatsvinden op terreinen die de afgelopen decennia ook als zodanig in gebruik zijn. Op terreinen die meestal in gebruik zijn als grasland (blijkt ook weer uit het onderhavige onderzoek) vindt namelijk weinig verstoring plaats als gevolg van ploegen en ook de mate van erosie lijkt minimaal zijn. Bij de selectie van te onderzoeken terreinen moet dus eerst het historisch gebruik ervan worden vastgesteld.De tweede hypothese wordt door de resultaten van het onderhavige onderzoek in hoge mate ondersteund. Op alle onderzochte terreinen lijkt het archeologische pakket minder humeus te zijn geworden, wat duidt op (versnelde) oxidatie. Hoewel op basis van het onderzoek niet kan worden aangetoond hoe de verdroging is ontstaan, zullen de belangrijkste oorzaken hiervoor zijn: peilverlagingen, de aanleg van drainage, periodieke regentekorten, of een combinatie hiervan. Tijdens het onderzoek op terrein 5G-74I, dat de afgelopen decennia uitsluitend in gebruik is als grasland, en terrein 5G-74II, dat de afgelopen decennia uitsluitend in gebruik is als bouwland, is iets opvallends geconstateerd. Het archeologische pakket op 5G-74II is in het algemeen matig stevig, terwijl dit pakket op 5G-74I in het algemeen stevig is, en dus meer uitgedroogd. Dat is opvallend, aangezien de (hoogte)ligging, bodemopbouw en het type archeologische vindplaats vergelijkbaar zijn. Mogelijkerwijs heeft het jaarlijks bewerken van de bouwvoor op 5G-74II er voor gezorgd dat regenwater beter in de bodem wordt opgenomen dan op 5G-74I, waar de bouwvoor de afgelopen decennia veel minder vaak (of zelfs nooit) is bewerkt. Waar het gebruik als bouwland (door het jaarlijks bewerken) een negatief effect kan hebben op de gaafheid van een archeologisch pakket (verstoring en erosie), zou het jaarlijks bewerken en de mate van conservering ervan wel eens ten goede kunnen komen (minder stevig=beter doorlatend=minder droog=minder oxidatie). Alleen de bewerkte toplaag/bouwvoor zal wel extra verdrogen als gevolg van oppervlaktevergroting. Als deze gevolgtrekkingen al juist zijn (en dat is op basis van het onderhavige onderzoek niet vast te stellen), dan gelden ze mogelijk alleen voor kleigebieden. In zand- en veengebieden, waar de bodem als gevolg van uitdroging waarschijnlijk niet in dezelfde mate ondoorlatend wordt, zou het jaarlijks bewerken juist wel eens voor extra verdroging van het onderliggende (zandige of venige) archeologische pakket kunnen leiden (lossere grond=oppervlaktevergroting=meer verdamping).Op de terreinen 5G-74II en 5G-85 zijn tijdens het oude onderzoek in het archeologische pakket dunne as- en /of houtskoollaagjes aangetroffen. Deze laagjes zijn tijdens het nieuwe onderzoek niet herkend, mogelijk als gevolg van een zekere mate van verdroging/oxidatie en/of bioturbatie. Dit zou betekenen dat op deze terreinen niet alleen de conserveringsgraad maar ook de gaafheid van het archeologische pakket is verslechterd.De heersende opvatting is dat terpen het beste beschermd worden als ze in gebruik zijn als (extensief) grasland. In verband hiermee wordt aanbevolen onderzoek uit te laten voeren naar de effecten van verdroging van de bodem op de kwaliteit van archeologische vindplaatsen, waarbij de bovengenoemde aspecten (ook) aan de orde komen.Voor wat betreft de beschrijving van de vindplaatsen (laagopeenvolging, aard en datering) onderschrijft het nieuwe onderzoek het oude onderzoek in hoge mate. Er komen slechts geringe en/of lokale verschillen voor. De terreinen worden archeologisch waardevol geacht. Alleen over terrein 5G-04 bestaan verschillende inzichten over de archeologische waarde. Het oude onderzoek geeft aan dat de status ‘te beschermen monument’ (tegenwoordig omschreven als ‘zeer hoge archeologische waarde’) vrij zwaar is voor de aanwezige archeologische resten en dus omgezet kan worden in ‘terrein van hoge archeologische waarde’. Op basis van het nieuwe onderzoek wordt het voorgestelde afwaarderen van het terrein als niet terecht gezien en wordt aanbevolen de huidige status te handhaven.Het onderhavige booronderzoek op Arkens heeft uitgewezen dat hier een archeologische vindplaats voorkomt. In het centrale deel van onderzoeksgebied Arkens heeft waarschijnlijk een terp/verhoogde boerderijplaats uit de (Late) Middeleeuwen-Nieuwe tijd gelegen, waarvan alleen de dieper ingegraven grondsporen nog aanwezig zijn (terpzool). Het oorspronkelijk aanwezige archeologische pakket is waarschijnlijk volledig afgeschoven in een ten noorden en oosten van de terp/verhoorde boerderijplaats gelegen, rond 1961 gedempte sloot. Deze sloot, die waarschijnlijk uit de tijd van de bewoning stamt, zal ongeveer 9 m breed en 1,15 m diep zijn geweest (gracht?). Vooralsnog wordt voorgesteld de omtrek van het onderzoeksgebied, inclusief de voormalige moestuin (situatie kadastrale minuut uit 1827) te hanteren als begrenzing van de vindplaats. De vindplaats heeft naar verwachting een matige archeologische waarde.Bij terrein 5G-04 en onderzoeksgebied Arkens is de vraag gesteld of het een verhoogde boerderijplaats betreft, en zo ja, wat de overeenkomsten en/of verschillen zijn qua bodemopbouw met de boerderijplaatsen die RAAP in het kader van het project Takomst Fryske Pleats in 2019/2020 heeft onderzocht. 5G-04 is gezien de relatief geringe afmetingen van het terrein (105 x 88 m) en het humusarme, homogene, archeologische pakket waarschijnlijk een verhoogde boerderijplaats. Bij een langdurige terpbewoning ligt het voor de hand dat het archeologische pakket meer gelaagd is met rijkere, meer humeuze lagen en meer grondsporen. In de boringen zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanleg een initieel podium of een latere, zijwaartse uitbouw van de verhoging(en). De onderzochte verhoogde boerderijplaatsen in het kader van het project Takomst Fryske Pleats hebben in het algemeen een veel minder homogene, meer gelaagde opbouw met meer verstoringen/verrommelingen. Ook zijn de onderzochte boerderijplaatsen (vrijwel geheel) opgehoogd met klei, terwijl 5G-04 alleen met zand is opgehoogd. Buiten de vergelijkbare afmetingen van de terreinen en het feit dat ze zijn opgehoogd, hebben ze dan ook weinig overeenkomsten. Voor onderzoeksgebied Arkens geldt dat deze als gevolg van het ontbreken van een archeologisch pakket niet te vergelijken is met de onderzochte boerderijplaatsen.