Gespecificeerde archeologische verwachting
Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit alle archeologische perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. Het plangebied ligt namelijk op de hogere delen van een bewaard gebleven daluitspoelingswaaier bedekt met dekzand. Dergelijke landschapsvormen vormde voor zowel Jagers-Verzamelaars als voor Landbouwers geschikte (tijdelijke) nederzettingslocaties (jachtkampementen/huisplaatsen/nederzettingsterreinen). Op basis van het historisch gebruik wordt verwacht dat er binnen het plangebied een (dik) plaggendek is opgebracht vanaf in ieder geval het begin van de 19e eeuw en waarschijnlijk al eerder. Het plangebied heeft deel uitgemaakt van het essencomplex dat zich rondom de historische dorpskern van Brummen bevond, welke ook wel werd aangeduid als de “Brummensen Enck”. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat wel zien dat in ieder geval tijdens de 19e eeuw door het plangebied zandwegen liepen. In de noordwesthoek van het plangebied heeft aan het einde van de 19e/begin 20e eeuw vermoedelijk een woning of woonboerderij gestaan, welke zal zijn gesloopt voorafgaand aan de bouw van een sociëteit/café, welke in de loop van de 20e eeuw nog meerdere keren is uitgebreid/verbouwd tot de bestaande situatie. Binnen het onderzoeksgebied heeft eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek een deel van een urnenveld uit de Vroege-IJzertijd, (delen van) een grafveld uit de Midden- en Late-IJzertijd en bewoningssporen uit de Midden- en Late-IJzertijd opgeleverd. Ook direct ten westen van de huidige bebouwde kom van Brummen ligt een AMK-terrein en betreft een urnenveld uit de Late-Bronstijd/Vroege-IJzertijd. Enkele andere archeologische onderzoeken hebben verder vondstmateriaal uit de Merovingische/Karolingische periode en uit de 17e eeuw opgeleverd, het laatste meer gerelateerd aan de ontwikkeling van de ten westen van het plangebied gelegen historische dorpskern van Brummen.
Gegevens uit bouwvergunningen laten zien dat er gedurende het verloop van de 20e eeuw meerdere keren verbouwing/uitbreiding hebben plaatsgevonden om te komen tot het bestaande café, kegel-huis en zalencentrum. Deze bebouwing beslaat een groot deel van het plangebied (circa 974 m²) en is voorzien van een bakstenen dan wel deels een strook-/sleuffunderingen (beton) tot circa 90/80 cm -mv. Tevens is deze bebouwing gedeeltelijk onderkelderd tot circa 200 cm -mv (cafégedeelte, noordoostelijke deel bestaande bebouwing). Te verwachten is dat destijds, ten behoeve van de aanleg van deze bebouwing en diverse nutsvoorzieningen, de bodem ter plaatse van het bestaande bouwoppervlak (en tevens voor hieraan aangrenzende terreindelen) minimaal tot deze dieptes is geroerd/afgegraven en dat ter plaatse het oorspronkelijke bodemprofiel gedeeltelijk zo niet geheel is verstoord (met eventueel hierin aanwezige archeologische resten/sporen).
Conclusie en advies
Het bureauonderzoek toont aan dat er zich in het plangebied mogelijk archeologische waarden kunnen bevinden. Er geldt in zijn algemeenheid een hoge verwachting voor alle perioden vanaf het Laat-Paleolithicum. Wel hebben er binnen een groot deel van het plangebied gedurende het verloop van de 20e eeuw diverse bouwwerkzaamheden plaatsgevonden, wat geleid heeft tot het bestaande café, kegelhuis en zalencentrum. De verwachting is dat de oorspronkelijke bodemopbouw binnen in ieder geval het bebouwde van het plangebied al dermate verstoord/vergraven is, dat daarmee archeologische resten en/of sporen niet meer worden verwacht.
De geplande ontwikkeling betreft juist een gedeeltelijke sloop en navolgend de nieuwbouw van 13 appartementen, nagenoeg ter plaatse van de bestaande kegelbaan en een deel van de bestaande feestzaal. Ten aanzien van deze geplande nieuwbouw/ontwikkeling wordt dan ook geadviseerd om geen aanvullend onderzoek/vervolgonderzoek te laten uitvoeren.
Indien in de toekomst wel ontwikkelingen/bodemingrepen gaan plaatsvinden buiten het bebouwde deel van het plangebied (en dan juist binnen het parkeerterrein) is het advies om voorafgaand een aanvullend inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen te laten uitvoeren. Verspreid binnen de onbebouwde terreindelen dienen boringen te worden gezet om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. Specifiek voor de noordwesthoek van het plangebied kan dan ook een uitspraak worden gedaan of er nog een gerede kans is op de aanwezigheid van ondergrondse restanten van eind 19e-eeuwse bebouwing/structuren (muurwerk, funderingsresten van mogelijk een woning of woonboerderij, eventueel met een water-/beerput).
Mochten tijdens de graafwerkzaamheden ten behoeve van de geplande ontwikkeling toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).