Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed heeft in juli-augustus 2015 een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd voor een plangebied aan de Nieuwlandse Binnendijk 12/12A te Oostdijk (gemeente Reimerswaal). Aanleiding tot het onderzoek vormt de beoogde inrichting van het plangebied, waarvan de oppervlakte ca. 26.400 m2 is, met nieuwe bedrijfsgebouwen. De omvang van de bouwvlakken zijn bekend, in totaal ca. 1.600 m2, de aanlegdiepte van de daarbij uit te voeren bodemingrepen zijn momenteel nog niet bekend. Voorliggend onderzoek is uitgevoerd in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de nieuwbouw. Zodoende is het verkennend booronderzoek alleen uitgevoerd op de locaties van de nieuwbouw.Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke, archeologische en historische gegevens werd in het archeologisch bureauonderzoek een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Er kan samengevat gesteld worden dat binnen het plangebied de bodemopbouw vanaf het maaiveld bestaat uit afzettingen (Duinkerke II en III) behorende tot het Laagpakket van Walcheren op afzettingen van het Hollandveen Laagpakket op afzettingen van het Laagpakket van Wormer (oude zeeklei) op afzettingen behorende tot het Laagpakket van Wierden (pleistoceen dekzand). De top van het dekzand zal hier geërodeerd zijn als gevolg van mariene invloeden. Door deze ontwikkeling geldt er op basis van het bureauonderzoek een geen archeologische verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen uit het Paleolithicum, het Mesolithicum en het Vroege/ Midden-Neolithicum (niveau pleistoceen dekzand). Voor het Laat-Neolithicum (niveau Laagpakket van Wormer) geldt een middelhoge verwachting, ingegeven door het beperkte aantal aangetroffen vindplaatsen in de wijde omgeving van het plangebied en toenmalige landschappelijke situatie waarin weinig sprake was van gunstige bewoningscondities. Voor de Bronstijd (niveau onderzijde Hollandveen) geldt een lage verwachting, eveneens vanwege ongunstige bewoningscondities van het toenmalige landschap. Voor de IJzertijd en Romeinse Tijd (op Hollandveen) geldt een hoge verwachting; op Zuid-Beveland werden reeds verschillende vindplaatsen uit deze periode aangetroffen in het veen in de omgeving van Oostdijk echter niet. Voor de Vroege Middeleeuwen geldt een lage verwachting; en voor Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd geldt een middelhoge verwachting op het aantreffen van vindplaatsen in het komgebied (niveau Laagpakket van Walcheren, Duinkerk II/III afzettingen).Tijdens het inventariserend veldonderzoek werd het opgestelde verwachtingsmodel middels vier verkennende boringen (tot maximaal 5,10 m -mv) getoetst en bijgesteld. Hierbij dient opgemerkt dat dit veldonderzoek gericht was op het toetsen van de (geologische) verwachting en niet op het opsporen van eventuele vindplaatsen. Dit booronderzoek is beperkt tot die delen van het plangebied waar nieuwbouw is voorzien en waarvoor een omgevingsvergunning vereist is.Uit het booronderzoek blijkt dat ter hoogte van boringen 1 en 2 de ondergrond, overeenkomstig de vooraf beschikbare geologische informatie, bestaat uit afzettingen behorende tot het Laagpakket van Walcheren (Duinkerke II/III afzettingen) op afzettingen behorende tot het Hollandveen Laagpakket op afzettingen behorende tot het Laagpakket van Wormer. In beide boringen vertoond de bodemopbouw een gelijkmatig verloop. In boringen 3 en 4 is een andere opbouw waargenomen, waarbij moet worden opgemerkt dat de maximale boordiepte hier werd beperkt door de slappe, zandige bodem. In deze boringen zijn alleen de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren waargenomen. Deze hebben het Hollandveen hier deels of geheel opgeruimd.Voor het niveau van het Laagpakket van Wormer, het Laat-Neolithicum, waarvan de top gelegen is op een diepte tussen 3,67 en 3,79 m –NAP (4,50 en 4,10 m -mv), wordt de archeologische verwachting bijgesteld naar een lage verwachting, gezien het ontbreken van hoger gelegen ruggen in het lokale landschap die gunstig waren voor bewoning. Het toenmalige landschap betreft een relatief nat getijdegebied, blijkens de samenstelling van de afzettingen en de resten van riet die in de top van dit laagpakket zijn aangetroffen.De verwachting voor de Bronstijd, IJzertijd en Romeinse Tijd wordt binnen het plangebied bepaald door de intactheid van het Hollandveen. In twee boringen (1 en 2) is een intacte veentop waargenomen gelegen op een diepte van 2,27 en 2,29 m –NAP (3,10 en 2,60 m –mv). Deze boringen tonen aan dat het veenlandschap hier relatief laag lag en niet of nauwelijks ontwaterd was, blijkens het ontbreken van een veraarde top, nauwelijks of geen oxidatieverschijnselen aan de veentop en de zwak tot matig amorfe textuur. In de andere twee boringen (3 en 4) werd op de verwachte diepte geen veen waargenomen. De veentop zal weggeërodeerd zijn door een geul, waarvan de afzettingen zijn aangetroffen. Mogelijk bevindt zich hieronder nog een restant veen; dit kon echter niet aangetoond worden doordat de maximale boordiepte hier was bereikt. Dit in overweging nemend, wordt de archeologische verwachting voor IJzertijd en Romeinse Tijd (niveau top van het Hollandveen) bijgesteld naar een lage verwachting. Voor de Bronstijd (niveau onderzijde Hollandveen) blijft de verwachting ongewijzigd (lage verwachting).Voor de Vroege Middeleeuwen (niveau Laagpakket van Walcheren, Afzettingen van Duinkerke II) geldt dat de lage archeologische verwachting onveranderd kan blijven. Deze afzettingen, gelegen in de onderzijde van dit laagpakket op het veen, zijn intact aangetroffen. In de Late Middeleeuwen was het plangebied binnen in 13de eeuw bedijkt gebied behorende bij Nieuwlande gelegen. Dit middeleeuwse dorp en haar grondgebied verdronk in de stormvloeden van 1530-1532. Het plangebied behoort tot later (in 1642) herbedijkt gebied. Nieuwlande is echter buitendijks blijven liggen, meer dan 1 km oostelijk van het plangebied. Uit het booronderzoek blijkt dit toenmalige landschap uit komklei bestond. In boring 2, 3 en 4 is op een diepte vanaf 1,29 m –NAP (1,60 m –mv) in dit komkleipakket een cultuurlaag waargenomen, bestaande uit een humeuze kleilaag met puinspikkels en houtskoolfragmentjes. Deze laag kan een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een vindplaats, maar kan ook een oude akkerlaag of weidegrond betreffen. Naar het noorden toe is dit niveau waarschijnlijk verspoeld of geërodeerd door latere mariene invloeden, zo blijkt uit boring 1. Vermoedelijk gaat het om het oude maaiveld uit de periode vóór de stormvloeden van 1530-1532. Op basis van deze gegevens wordt de verwachting voor de Late Middeleeuwen bijgesteld naar een hoge verwachting voor de locatie waar de cultuurlaag is vastgesteld, namelijk het zuidelijk van de twee bouwvlakken. Voor het aan de noordzijde van het plangebied gelegen bouwvlak wordt de verwachting voor deze periode bijgesteld naar laag, gezien de erosie/verspoeling van dit niveau.Door de inundatie van het gebied in 1530-1532 is in de periode hierna opnieuw sediment afgezet waarbij het gaat om Afzettingen van Duinkerke IIIb (Laagpakket van Walcheren) hier bestaande uit slik-/schorafzettingen. In 1642 werd het plangebied en omgeving opnieuw ingepolderd. Vanaf deze tijd tot aan het heden zijn er geen historische gegevens (kaartmateriaal) die aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van bebouwing binnen het plangebied, uitgezonderd de naoorlogse bebouwing. Bij het booronderzoek werden geen archeologische indicatoren aangetroffen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van vindplaatsen. Op basis hiervan blijft de verwachting voor de Nieuwe Tijd vastgesteld op een lage verwachting.