In opdracht van de heer en mevrouw Rijnhout heeft het team Onderzoek en Rapportage van Archeologie Rotterdam (BOOR) op 9 september 2019 een verkennend inventariserend veldonderzoek uitgevoerd in het plangebied Rozenburglaan 33 te Rotterdam, in de gelijknamige gemeente. In totaal zijn verspreid over het plangebied vier handmatige boringen verricht. Er is geboord vanaf het maaiveld tot maximaal 6,06 m - NAP (4,82 m - mv). Voorafgaand aan het veldonderzoek is voor het gebied een bureauonderzoek uitgevoerd. De onderzoeken zijn verricht omdat in het plangebied grondroerende werkzaamheden zullen worden uitgevoerd. Deze bestaan uit de aanleg van een vernieuwde garage en de verdieping van de bestaande kelders. Indien archeologische waarden aanwezig zijn, kunnen deze bij de werkzaamheden worden aangetast of vernietigd.Uit het bureauonderzoek, waarbij onder meer is gekeken naar de historische situatie, de bodemopbouw en de bekende archeologische waarden in (de omgeving van) het plangebied, komt naar voren dat voor het gehele plangebied een onbekende archeologische verwachting geldt voor vindplaatsen uit het Mesolithicum, het Neolithicum en de Bronstijd. Vindplaatsen uit deze perioden kunnen aangetroffen worden in de top van de klastische afzettingen van de Formatie van Echteld (voorheen Afzettingen van Gorkum), en dan met name op of nabij eventueel aanwezige stroomgordelafzettingen. Daarnaast geldt voor het gehele plangebied een redelijk hoge tot hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de IJzertijd, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen (tot in de 12e eeuw) in de top van het veen van de Formatie van Nieuwkoop (voorheen Hollandveen). Tot slot geldt voor het gehele plangebied een lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen (vanaf circa 1200) en de Nieuwe tijd. De eventueel aanwezige archeologische waarden bevinden zich op of in de top van de laatmiddeleeuwse afzettingen van de Formatie van Echteld (voorheen Afzettingen van Tiel). Onduidelijk is echter of deze afzettingen in het plangebied aanwezig zijn.Uit het verkennend inventariserend veldonderzoek blijkt dat de ondergrond in het plangebied inderdaad bestaat uit veen van de Formatie van Nieuwkoop (voorheen Hollandveen). Het veen, aangeboord vanaf gemiddeld 5,35 m - NAP (4,30 m - mv), heeft een maximaal waargenomen dikte van 80 cm. De basis is echter in geen enkele boring bereikt, waardoor de totale dikte niet bekend is. Daarnaast is de top van het veen in geen enkele boring volledig intact aangetroffen. In boring 3 is de top waarschijnlijk antropogeen verstoord. In boringen 1 en 4 is de top van het veen vermoedelijk (licht) aangetast door de erosieve werking van de laatmiddeleeuwse overstromingen. Het kleidek dat hierbij is afgezet, is aangetroffen in boringen 1 en 4. Deze komafzettingen van de Formatie van Echteld (voorheen Afzettingen van Tiel) zijn aangeboord vanaf gemiddeld 4,90 m - NAP (3,94 m - mv). Het gemiddeld 47 cm dikke pakket komklei is waarschijnlijk eveneens niet volledig intact waargenomen. Gelet op de abrupte overgang naar het bovenliggende opgebrachte pakket, bestaat het vermoeden dat ook de top van dit pakket is aangetast. De bovenste bodemlaag in het plangebied wordt gevormd door een opgebracht zand- en kleipakket met een gemiddelde dikte van 398 cm. Het vermoeden bestaat dat het pakket is opgebracht voorafgaand aan de aanleg van de bestaande villawijk in het eerste kwart van de vorige eeuw.In het plangebied zijn tijdens het verkennend inventariserend veldonderzoek geen aanwijzingen aangetroffen voor de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Daarnaast is gebleken dat er geen stratigrafische niveaus met archeologische potentie (meer) aanwezig zijn binnen de maximale boordiepte. Aangezien de top van het veen in geen enkele boring intact is aangetroffen, kan de redelijk hoge tot hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de IJzertijd, de Romeinse tijd en de Middeleeuwen (tot in de 12e eeuw) omgezet worden naar een lage archeologische verwachting. Gelet op de aanwezige laatmiddeleeuwse komafzettingen, waarvan de top vermoedelijk ook nog eens is aangetast, kan de lage archeologische verwachting voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen (vanaf circa 1200) en de Nieuwe tijd gehandhaafd blijven. Omdat de aard van de klastische afzettingen onder het veen niet bekend is, kan ook de onbekende archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het Mesolithicum, het Neolithicum en de Bronstijd gehandhaafd blijven. Aangezien de bovenkant van de nieuwe keldervloer op circa 4,50 m - NAP komt te liggen, gaan de geplande bodemingrepen echter waarschijnlijk niet dieper dan het opgebrachte pakket. Concluderend kan dan ook gesteld worden, dat de kans zeer klein is dat bij de geplande werkzaamheden in het plangebied archeologische waarden verstoord zullen worden. Op grond van het bureauonderzoek en het verkennend inventariserend veldonderzoek luidt het (selectie)advies voor het plangebied Rozenburglaan 33 te Rotterdam dat er geen voorzieningen hoeven te worden getroffen om archeologische waarden te behouden of te ontzien. Vervolgonderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg wordt niet aanbevolen.