Gespecificeerde archeologische verwachtingOp basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied en hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden (Laat)-Paleolithicum t/m Middeleeuwen. Deze verwachting is vooral gebaseerd op de veronderstelde ligging van het plangebied op de noordelijke uitloper van een plateau-achtige terrasrest dat afgedekt is met (gordel)dekzand. Voor zowel Jagers-Verzamelaars als voor Landbouwers vormde deze landschappelijke eenheid een geschikte (tijdelijke) bewoningslocatie. Voor de periode Nieuwe tijd geldt een lage trefkans op het voorkomen van restanten van historische erven, aangezien geraadpleegd historisch kaartmateriaal aangeeft dat er binnen het plangebied geen historische bebouwing heeft gestaan. Het noordwestelijke deel van het plangebied wordt al voor langere tijd doorsneden door (zand)wegen, als voorloper van de Winterswijkseweg/Oude Winterswijkseweg. Hier zullen al diverse keren wegreconstructies en aanleg van nutsvoorzieningen hebben plaatsgevonden. Verder worden binnen de begrenzing van het plangebied geen restanten van approches (loopgraaf met vulling/vermengde grond waarmee de loopgraaf gedempt is) verwacht, als onderdeel van de Circumvallatielinie uit 1627. Reeds uitgevoerd archeologisch onderzoek in de nabijheid van het plangebied hebben tot op heden niet geleidt tot het aantreffen van archeologische vindplaatsen dan wel archeologische resten die kunnen duiden op de aanwezigheid van intacte archeologische vindplaatsen.Resultaten inventariserend veldonderzoekDe resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) laten een diepgaande verstoorde bodemopbouw binnen het noordwestelijk gelegen deel van het plangebied en zeker ter plaatse van de wegtracés van de Oude Winterswijkseweg en de Winterswijkseweg zien. Hier reikt de verstoringsdiepte tot gemiddeld 180 cm -mv en betreft de onverstoorde bodem direct grondmoreneafzettingen/keizand (2Cr-horizont). Langs het kantoorpand van Flynth betreffen verstoorde lagen humusrijk zand. Echter ook hierin, als in de overgang naar de 1C-horizont, is een vermenging met brokken “geel” zand zichtbaar. Een dunne laag onverstoord dekzand is nog aanwezig, voordat de overgang plaatsvind naar direct grondmoreneafzettingen/keizand. Voor het noordwestelijk gelegen deel van het plangebied kan ieder geval wel gesteld worden dat zowel het archeologisch potentiële vondst- als sporenniveau volledig is vergraven.Minder diepe verstoringen hebben plaatsgevonden in het zuidoostelijk gelegen deel van het plangebied, echter een aantal boringen laten ook hier een geroerde/verstoorde humeuze bouwvoor/bovengrond zien met hieronder een menglaag van humeus zand met zand van de C-horizont tot een diepte van gemiddeld 70 cm -mv. Bij een drietal boringen was nog wel een dun intact restant van de van nature gevormde veldpodzolbodem te herkennen (een dun restant van de inspoelings-1Bhe-horizont of direct de overgangs-1BC-horizont). Alleen binnen de centrale tot zuidoostelijke delen van het betreffende grasveld is sprake van een nog deels intact archeologisch potentieel vondstniveau. In het opgeboorde materiaal zijn echter geen archeologische indicatoren en ook konden er geen door de mens gevormde cultuurlagen/antropogene lagen worden aangewezen, afgezien van door moderne vergravingen veroorzaakte geroerde/verstoorde bodemlagen.ConclusieGeconcludeerd wordt dat er, op basis van de resultaten van het booronderzoek, er geen aanwijzing zijn om nog restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten. Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bureauonderzoek, waarbij een hoge verwachting gold op het aantreffen van archeologische indicatoren uit de perioden Laat-Paleolithicum t/m Late-Middeleeuwen, kan dan ook worden bijgesteld naar een lage verwachting. Voor de periode Nieuwe tijd was de verwachting al laag.AdviesOp grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Zeker voor het noordwestelijk gelegen deel van het plangebied geldt dat er sprake is van een diepgaande, sterk verstoorde bodemopbouw (archeologisch potentiële sporen-/vondstniveau is sterk aangetast dan wel volledig verwijderd). Daarnaast heeft geen van de gezette boringen archeologisch relevante indicatoren opgeleverd, ook niet de enkele boringen gezet in het zuidoostelijk gelegen deel van het plangebied waar nog een deels intacte bodemopbouw is aangetroffen. Een archeologische vindplaats wordt niet meer verwacht binnen het plangebied. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
Date Accepted: 26-04-2021
Date Accepted: 2021-04-26