Antea Group projectnummer 471703. In opdracht van TenneT heeft Antea Group een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor een 150 kV-lijnverbinding in en nabij Nieuwegein. Deze bestaande bovengrondse hoogspanningsverbinding wordt verkabeld naar een ondergronds gelegen verbinding. Dit onderzoek heeft betrekking op het verkabelen van ‘150 kV-verbinding Utrecht Lage Weide - Oudenrijn – Nieuwegein’, mast 18-27 en optioneel mast 17 naar mast 18. Het tracé heeft een lengte van ca. 3,0-3,4 km. Tussen mast 18 en 27 zal de 150 kV-kabelverbinding worden aangelegd door middel van horizontaal gestuurde boringen (HDD; totale lengte van ca. 2,8 km) en open ontgravingen (totale lengte van ca. 215 m). Voor de overgang van de bovengrondse naar ondergrondse kabelverbinding nabij mast 17 en 18 zijn er een aantal opties, waarbij het mogelijk is dat het tracé verlengd wordt met ca. 340 m. Ook is het mogelijk dat er bij mast 17 of 18 na de werkzaamheden cultuurtechnisch herstel plaatsvindt. De elf hoogspanningsmasten op dit tracé zullen waarschijnlijk worden verwijderd.Bij de open ontgravingen, de aanleg van de opstijgportalen met mast, bij het cultuurtechnisch herstel, en mogelijk bij het verwijderen van de hoogspanningsmasten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. Het archeologisch bureauonderzoek dient als onderbouwing voor de ruimtelijke procedure en is de eerste stap binnen de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Voor het plangebied geldt een onderzoeksplicht conform het beleid van gemeente Nieuwegein. Als er bij mast 17 gegraven gaat worden geldt er ook een onderzoeksplicht conform het beleid van gemeente Utrecht.Het doel van het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Voor het opstellen van een dergelijke verwachting wordt gebruik gemaakt van reeds bekende archeologische waarnemingen, historische kaarten, bodemkundige gegevens en informatie over de landschappelijke situatie.ConclusiesDit bureauonderzoek heeft betrekking op het verkabelen van ‘150 kV-verbinding Utrecht Lage Weide - Oudenrijn – Nieuwegein’, mast 18-27 en optioneel mast 17 naar mast 18. Nieuwegein ligt in de archeoregio Utrechts-Gelders rivierengebied. Het westen van het plangebied bij mast 17 (met het werkterrein en eventuele open ontgraving 0), mast 18 (het zoekgebied van de opstijglocatie en beginmast, en open ontgraving 1) en mast 19 ligt op de Blokstroomgordel die actief was tussen 3795 en 3000 BP (Before Present). De bovenkant van de stroomgordel ligt op ca. -0,1 tot -0,6 m NAP; ter plaatse van het westelijke gedeelte van het tracé is dit ca. 0,5 tot 1,4 m beneden maaiveld. Op basis van de datering van de Blokstroomgordel, de gemeentelijke verwachtingskaarten en van geregistreerde archeologische vondsten, geldt er voor dit gedeelte van het plangebied een middelhoge archeologische verwachting voor de periode midden-neolithicum tot en met de late bronstijd en een hoge archeologische verwachting voor de periode de ijzertijd tot en met de Romeinse tijd. Eventueel aanwezige archeologische resten kunnen direct onder de bouwvoor tot ca. 1,4 m beneden maaiveld worden verwacht, op de oevers van de restgeul van de Blok.Verder geldt er voor de zone tussen mast 21 en 22 volgens de gemeentelijke verwachtingskaart een hoge archeologische verwachting voor de periode vanaf de middeleeuwen, omdat de Galecopperdijk een ontginningsas was en deze mastlocaties daar in de buurt liggen.Als laatste geldt er voor mast 23 en 24 op basis van eerder uitgevoerde archeologische onderzoeken een middelhoge tot hoge archeologische verwachting voor de periode tussen de ijzertijd tot en met de nieuwe tijd, wat waarschijnlijk samenhangt met de aanwezigheid van de Jutphaas stroomgordel. Daarnaast geldt er voor mast 23 en 24 volgens de gemeentelijke verwachtingskaart een middelhoge archeologische verwachting voor crashlocaties uit de Tweede Wereldoorlog.Voor de rest van het plangebied (open ontgravingen 2-5; mast 20 en 25-27; en het zoekgebied van de opstijglocatie en de open ontgraving bij mast 27) geldt op basis van bestaande geologische boringen in DINOloket en de archeologische verwachtingskaart van gemeente Nieuwegein een lage archeologische verwachting voor alle archeologische periodes, omdat deze locaties in rivierkommen liggen.AdviesVanwege de (middel)hoge archeologische verwachting voor het westen van het plangebied (mast 18 met het zoekgebied van de opstijglocatie en beginmast en open ontgraving 1, en mast 19), wordt er een archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase, geadviseerd. Als er op het werkterrein bij mast 18 cultuurtechnisch herstel gaat plaatsvinden, en als de optie wordt gekozen om te verkabelen tot mast 17 (waarbij gebruik wordt gemaakt van een werkterrein en open ontgraving 0 bij mast 17), wordt daar tevens een archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen, verkennende fase, geadviseerd.Indien er hoogspanningsmasten worden verwijderd, dan wordt er bij mast 17-19 en 21-24 vanwege de (middel)hoge archeologische verwachting eveneens een IVO-O geadviseerd. Het is onbekend of er bij het verwijderend van deze masten daadwerkelijk eventueel aanwezige archeologische resten verstoord kunnen worden, vandaar dat er wel een inventariserend veldonderzoek d.m.v. boringen wordt geadviseerd.Een IVO-O is erop gericht om de archeologische verwachting te toetsen aan hand van de bodemopbouw en de aanwezigheid van archeologische lagen. Er wordt geadviseerd om een boordichtheid van 40x50 m te hanteren. Ter plaatse van het werkterrein en ter plaatse van het zoekgebied van de opstijglocatie en mast 18, en open ontgraving 1 wordt er geadviseerd om een boordiepte van 2 m te hanteren. Deze boordiepte reikt >50 cm dieper dan de voorgenomen bodemverstoringen, en is naar verwachting diep genoeg om de locatie en diepteligging van de Blokstroomgordel vast te stellen. Daarnaast wordt geadviseerd elke vijfde boring tot 3 m beneden maaiveld door te zetten, zodat de bodemopbouw van de diepere ondergrond kan worden vastgesteld. Ter plaatse van de eventueel te onderzoeken mastlocaties 17-19 en 21-24 wordt geadviseerd om drie boringen per mastlocatie uit te voeren, die 30 cm dieper reiken dan de te verwachten verstoringsdiepte.Verder wordt er geadviseerd om de rest van het plangebied vrij te geven (open ontgravingen 2-5; mast 20, 25-27; en het zoekgebied van de opstijglocatie nabij mast 27). Voor deze locaties geldt een lage archeologische verwachting.De gemeente Nieuwegein onderschrijft het advies voor vervolgonderzoek.
Antea Group Archeologie 2021/178
Date Submitted: 2022-02-17