Tussen Oosterhout en Den Hout, is de gemeente Oosterhout van plan om nieuwbouw te realiseren.Dit nieuwbouwgebied wordt ‘De Contreie’ genoemd, maar staat van oudsher bekend als de Houtse Akkers. Dat in dit gebied archeologische resten aanwezig zijn, is al in de jaren 70 van de vorige eeuw aangetoond, toen bij bouwwerkzaamheden enkele urnen werden aangetroffen. In 2010 is op De Contreie een archeologisch onderzoek uitgevoerd, waarbij een oppervlakte van bijna 14 ha vlakdekkend onderzocht. Gedurende dit onderzoek zijn talloze vondsten en bijbehorende structuren ontdekt die een goed beeld vormen van de bewoningsdynamiek op de noordwestelijke uitloper van het Brabantse dekzandplateau.De interesse voor dit gebied ontstaat reeds in de Steentijd, wanneer de eerste jagers en verzamelaars de mogelijkheden van bestaan in dit gebied ontdekken. Deze eerste bezoekers vestigen zich weliswaar niet permanent in onze streken maar gebruiken de bosrijke omgeving van Oosterhout gedurende de zomer om te jagen en noten, zaden en vruchten te verzamelen. ’s Winters trekken zij zich terug naar het zuiden.Het ontbreekt op De Contreie aan bewoningssporen uit deze periode. Dat is ook niet ongebruikelijk, aangezien de zomerkampen geen permanent karakter hadden. We moeten ons een soort tentenkamp voorstellen en die laten nu eenmaal veel minder sporen in de bodem achter dan boerderijen die decennia lang in gebruik waren.Het eerste voorbeeld van een dergelijke boerderij stamt uit de Midden-Bronstijd (1800-1100 v. Chr.). Op de flank van de zuidoost-noordwest georiënteerde dekzandrug verrijst een enorme boerderij met een lengte van 26 m. Vermoedelijk hebben er op de dekzandrug meerdere van deze boerderijen gelegen te midden van akkercomplexen. Wellicht heeft de locatiekeuze te maken gehad met de aanwezigheid van een stugge leemlaag ondiep onder het oppervlak. Daardoor ontstond een hoge schijngrondwaterstand waardoor de rug goed geschikt was voor akkerbouw.Gedurende de Late Bronstijd en Vroege IJzertijd vermoeden we dat de bewoning met bijbehorende akkers zich nog iets hoger op de dekzandrug terugtrokken, buiten het onderzoeksgebied. Uit deze periode zijn namelijk nauwelijks bewoningssporen ontdekt, terwijl er goede aanwijzingen bestaan dat deze dicht in de buurt gezocht moeten worden. Naast enkele aardewerkdepots, die ontegenzeggelijk aan deze periode verbonden mogen worden, ontstaat er namelijk op de flank van de dekzandrug een urnenveld dat zich langzaam uitbreidt tot een langgerekte zone met naar schatting niet minder dan 400 graven. Een groot deel van de graven dateert in de Vroege IJzertijd. Waarschijnlijk werd iedereen na het overlijden in een kleine grafheuvel bijgezet. Deze kleine heuvels werden opgeworpen met grond afkomstig uit een zogenaamde kringgreppel. Van de grafstructuren resteren nog slechts deze kringgreppels, waarvan de ronde vorm domineert. Een opmerkelijke grafstructuur is een paalkrans waarvan 50 palen een rond heuvellichaam met een diameter van ruim 15 m hebben geflankeerd.Het urnenveld blijft tot in de Midden-IJzertijd in gebruik. In eerste instantie treffen we de bijbehorende boerderijen niet op de kop van de dekzandrug, maar juist in het lager gelegen oostelijke deel van het onderzoeksgebied. Hier zijn twee mogelijke oorzaken voor aan te dragen: of de dekzandrug bood te weinig bewoningsmogelijkheden in verband met het uitdijende urnenveld, of de akkerbouwcondities op de dekzandrug verslechterde. Aan het eind van de IJzertijd merken we dat de bewoning weer tegen de flank van de dekzandrug opkruipt en de boerderijen op het urnenveld terechtkomen. Dit urnenveld is tegen die tijd al niet meer in gebruik en vermoedelijk ook niet of nauwelijks meer zichtbaar. In hoeverre de bewoning gedurende de Midden- en Late IJzertijd (een periode van bijna 500 jaar) een continu proces is geweest valt niet te achterhalen.Een naadloze overgang van de Late IJzertijd naar de Romeinse tijd valt evenmin aan de hand van archeologische data te bewijzen. Toch menen wij dat er een continuïteit in bewoning heeft bestaan, die zich laat aanwijzen door het verschuiven van de ijzertijdbewoning in (onder meer) noordwestelijke richting alwaar de bewoning zich in de Vroeg-Romeinse tijd voor een kleine 150 jaar zal gaan concentreren. Opnieuw zijn het in eerste instantie de iets lager gelegen gronden in deze zone die favoriet voor bewoning zijn. Aangezien we reeds geconstateerd hebben dat het urnenveld al niet meer zichtbaar moet zijn geweest en dat dus geen excuus kan zijn om de dekzandrug te bewonen, zullen (veranderende) landschappelijke condities ten grondslag hebben gelegen aan deze keuze.Een reconstructie van de bewoningsgeschiedenis voor de Vroeg-Romeinse tijd toont een gefaseerde bewoning in tenminste drie fasen. Per fase zijn er ongeveer zes boerenbedrijven actief. Het gegeven dat toenemende innovaties op landbouwgebied mogelijkheden bood om langere tijd op eenzelfde plek te verblijven lezen we af aan de concentratie van boerderijen in het noordwesten van het onderzoeksgebied alsmede aan de duur dat de afzonderlijke boerderijen in gebruik waren. Bepaalde innovaties zoals het gebruik van potstallen hebben De Contreie, althans het deel dat is onderzocht, niet bereikt. Op het moment dat deze hun intrede deden elders in Brabant, is de bewoning binnen de grenzen van het onderzoeksgebied reeds afgelopen. Hoewel er sterke aanwijzingen zijn dat de bewoning verder opschoof naar het noordwesten of noorden, alwaar we ook het Romeinse grafveld vermoeden, kunnen we dit aan de hand van de onderzoeksresultaten niet aantonen.Derhalve blijft het op De Contreie gedurende ruim 900 jaar rustig en kreeg de natuur de kans om zich te herstellen. De oude akkers zijn vermoedelijke weer bebost geraakt op enkele open plekken na. Onder een voortdurende vernatting kon ook het veengebied ten noorden van Oosterhout zich langzaam naar het zuiden uitbreiden. Dit waren de condities die de eerste middeleeuwse pioniers aantroffen toen zij aan het eind van de 11e of begin van de 12e eeuw het gebied vanuit de open plekken in het bos ontgonnen.Gedurende ongeveer 200 jaar ging deze ontginning door totdat een heel groot deel van het bos was omgewerkt tot akker voor de verbouw van voornamelijk rogge. De productie van dit gewas kreeg een enorme vaart op het moment dat de eerste markten in de naburige opkomende steden toegankelijk werden. Voor De Contreie betekende dit dat het akkerareaal alleen maar groter werd totdat er één grote open akker was ontstaan. De bijbehorende boerderijen werden steeds verder naar de randen van deze akker verplaatst richting gehuchten als Vrachelen en Den Hout. Gehuchten die vandaag de dag nog steeds bestaan.De Contreie is tot op heden altijd het landbouwgebied gebleven dat het ook de duizenden jaren daarvoor is geweest. Op een enkel woonhuis na, zijn het toch vooral de boerenbedrijven die dit gebied gedomineerd hebben. De aanleg van het Markkanaal heeft een van oorsprong veel groter gebied in een zuidelijk deel en een noordelijk deel gescheiden. Het was in de Tweede Wereld Oorlog dat dit kanaal een belangrijke rol heeft gespeeld. Dagen lang is er door de Duitsers en Polen gevochten om deze waterverbinding in handen te krijgen.Ten zuiden van het kanaal is de sinds de Middeleeuwen open Houtse Akker reeds van bestemming gewijzigd. Ten noorden van het kanaal zal nu ook een nieuwe woonwijk verrijzen. Een woonwijk waarin alleen de straatnamen nog verwijzen naar de verre voorgeschiedenis van De Contreie.
Bewoningsgeschiedenis van de Houtse Akkers te Oosterhout, van de Bronstijd tot en met de Slag om het Markkanaal
Graven op De Contreie
Date Submitted: 2012-10-30