KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Bakelseweg 30 in De Mortel (gemeente Gemert-Bakel). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor de nieuwbouwplannen.Op basis van de gegevens uit het bureauonderzoek is de verwachting op de gemeentelijke archeologische beleidskaart bijgesteld. Op de beleidskaart was aan het noordelijke deel van het plangebied een middelhoge verwachting toegekend vanwege het voorkomen van laarpodzolgronden en aan het zuidelijke deel een lage verwachting vanwege het voorkomen van duinvaaggronden en podzolgronden. De aanname hierbij is dat de laarpodzolgronden in het algemeen in landbouwgebieden zijn ontwikkeld die gunstiger (hoger gelegen, beter gedraineerd) zijn voor bewoning en landbouw dan de andere bodemtypes. Bij onderzoek in de omgeving is vastgesteld dat de laarpodzolbodems in dit gebied in de Nieuwe tijd zijn ontstaan door ophoging van laag gelegen (natte) gronden om geschikt te maken voor het gebruik als landbouwgrond. Het zuidelijke deel van het plangebied lag van nature hoger waardoor dit niet nodig was. Op basis hiervan is de verwachting omgedraaid en is aan het noordelijke deel juist een lage verwachting toegekend en aan het zuidelijke deel een hoge verwachting.De hoge verwachting geldt specifiek voor vindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum – Neolithicum. Ten zuiden van het plangebied was vroeger een beekje aanwezig, de Snelle Loop. Op de heide (het Peelmoeras) waren in het verleden vele vennetjes aanwezig. Op basis van de ligging ter plaatse van een gradiëntzone en de aanwezigheid van natuurlijke waterbronnen in de directe omgeving is aan het zuidelijke deel van het plangebied een hoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum. Met het verkennend booronderzoek is aangetoond dat de oorspronkelijke podzolgrond in een groot deel van het plangebied is verdwenen door ploegwerkzaamheden en recente bodemingrepen. Alleen in het noordoostelijke deel van het plangebied is in één boring een laarpodzolbodem aangetroffen. Op basis van dit resultaat is de hoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum – Neolithicum in het zuidelijke deel van het plangebied naar laag bijgesteld en blijft de lage verwachting voor het noordelijke deel gehandhaafd.In het bureauonderzoek is aangegeven dat de landschappelijke ligging van het plangebied niet aantrekkelijk is voor de latere landbouwende samenlevingen. Mogelijk is in het heidegebied ten zuiden van het plangebied bewoning aanwezig geweest, maar daar heeft tot op heden geen onderzoek plaatsgevonden. Op basis hiervan is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor vindplaatsen uit de Bronstijd tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Met het booronderzoek is aangetoond dat in het zuidwestelijke deel van het plangebied veengroei heeft plaatsgevonden, wat aangeeft dat het een nat gebied is geweest. Er kan sprake zijn van een lokale depressie waar veengroei heeft plaatsgevonden, maar op basis van een vergelijking van de diepteligging van de top van het dekzand in de boringen in het plangebied, is de kans groot dat het veen zich in de loop van het Holoceen over een groter gebied heeft uitgebreid. Dit bevestigt dat het plangebied in de periode Neolithicum – Volle – Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) vanwege de vochtige omstandigheden geen gunstige bewoningslocatie is geweest. De lage verwachting voor deze periode blijft op basis hiervan voor het plangebied gehandhaafd.Voor de zuidoostelijke hoek van het plangebied geldt op basis van de historische gegevens een concrete verwachting voor een huisplaats uit de Nieuwe tijd. Binnen de rest van het plangebied kunnen sporen van agrarische activiteit worden verwacht die samenhangen met deze boerderij, zoals bijvoorbeeld greppels, ploegsporen en losse kuilen. Tijdens het booronderzoek zijn in de zuidoostelijke hoek verstoorde bodemlagen aangetroffen, die gerelateerd kunnen worden aan het erf dat daar heeft gelegen. Op basis hiervan blijft de hoge verwachting voor een vindplaats uit de Nieuwe tijd voor deze locatie gehandhaafd.Op grond van de resultaten van het vooronderzoek geldt met uitzondering van de zuidoostelijke hoek een lage archeologische verwachting voor het plangebied. Aangezien de drie bouwkavels in de lage verwachtingszone worden gerealiseerd, wordt geen archeologisch vervolgonderzoek geadviseerd.De aanbeveling is om de resultaten van dit onderzoek mee te nemen in een bijstelling van de archeologische verwachting van de aangrenzende gronden. Het voormalige stuifzandgebied in het zuiden en de gronden in het oosten kunnen niet op voorhand worden aangemerkt als een lage verwachtingszone. In het gebied zijn natuurlijke waterbronnen aanwezig geweest en wordt het oorspronkelijke reliëf (paleoreliëf) plaatselijk door stuifzand afgedekt. Aan dit gebied kan afhankelijk van de bodem-opbouw en de intactheid daarvan een hoge verwachting worden toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum – Neolithicum. Daarnaast geeft boring 9 aan dat er mogelijk sporen aanwezig zijn in de top/net boven het veen van de ontginning/veenwinning van het gebied (Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd). Een vindplaats van de landbouwende samenlevingen (Neolithicum – Volle Middeleeuwen) ligt minder voor de hand, omdat het gebied in die periode vochtig en moerassig was. Aan de aangrenzende gronden ten noorden en noordwesten van het plangebied, die buiten de gehuchten en oude bouwlanden hebben gelegen, kan daarom een lage verwachting worden toegekend.