In opdracht van de gemeente Voorst heeft RAAP in het plangebied Twello-Noord, deelgebieden C, D en H, een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Aanleiding voor dit onderzoek vormt het voornemen van de gemeente Voorst om de betreffende deelgebieden te ontwikkelen voor woningbouw. Omdat deze ontwikkeling een bedreiging vormt voor eventueel in de bodem aanwezige archeologische resten, is het noodzakelijk om voorafgaand aan de ontwikkeling inzicht te krijgen in de archeologische waarde van het terrein. Hiertoe is een waarderend proefsleuvenonderzoek uitgevoerd in twee fasen: tussen 8 en 24 januari en 15 en 20 november 2024. De tweede onderzoeksfase is alleen uitgevoerd in deelgebieden C en D om de daar in fase 1 vastgestelde sporenclusters beter te kunnen begrenzen en dateren. De nieuwe gegevens zijn toegevoegd aan de bestaande rapportage met de resultaten van onderzoeksfase 1. Het erf van de vervallen boerderij Kruisvoorderweg 9 is nog niet onderzocht. Vanwege de nog staande gebouwen en dichte begroeiing is daar vooralsnog geen gravend onderzoek mogelijk. Dit zal op een later tijdstip plaatsvinden.In grote delen van deelgebied C en in een klein deel van deelgebied D zijn tijdens twee onderzoeksfasen grondsporen en mobilia aangetroffen die gerelateerd kunnen worden aan minimaal vier bewonings-/gebruiksfasen: twee clusters met nederzettingssporen uit de late bronstijd (sporenclusters 2 en 4), drie clusters met nederzettingssporen uit de ijzertijd (sporenclusters 1 t/m 3), sporen die verband houden met het laatmiddeleeuwse/nieuwetijdse erf De Enk (sporencluster 5) of met een voorganger daarvan en sporen die verband houden met het agrarische gebruik van het terrein in de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Verder zijn in sporenclusters 2 en 5 enkele scherven uit de vroege bronstijd aangetroffen.Bij de vijf clusters met eenduidige bewoningssporen is telkens een ‘centrum’ of ‘kern’ en een ‘periferie’ onderscheiden (sporenclusters 1 t/m 5). In het centrum van een cluster is tijdens het proefsleuvenonderzoek een relatief grote dichtheid aan archeologische sporen aangetroffen. In het centrum van een sporencluster zijn resten van gebouwplattegronden (hoofd- en/of bijgebouwen) aanwezig of wordt de kans groot geacht dat deze aanwezig zijn. De periferieën rond de sporenclusters lieten tijdens het proefsleuvenonderzoek een (veel) lagere spoordichtheid zien. Hier is vooral sprake van meer afgezonderd gelegen sporen, vooral kuilen, die getuigen van incidentele activiteiten rond de nederzettingskernen. Buiten de clusters zijn met name in het sterk door agrarisch gebruik aangetaste westelijke deel van deelgebied C enkele groepjes van (losse) sporen opgetekend waarvan de datering onduidelijk is of waarbij twijfel bestaat over de aard van (een deel van) de sporen (van antropogene of natuurlijke origine; sporenclusters 6 en 7).In deelgebied H is slechts een klein aantal archeologisch relevante (en slecht geconserveerde) sporen aangetroffen. Er kunnen daar geen duidelijke sporenclusters begrensd worden. Het gaat om enkele vroegmiddeleeuwse kuilmeilers en slecht geconserveerde middenmesolithische haardkuilen. Verder zijn in de menglaag een klein aantal vuurstenen artefacten uit het laat-neolithicum en scherven vermoedelijk uit de ijzertijd verzameld. Het overgrote deel van de vondsten houdt echter verband met het agrarische gebruik van de het terrein in de middeleeuwen en nieuwe tijd.Op basis van de KNA-waardering zijn sporenclusters 1, 2 en 4 in deelgebieden C en D behoudenswaardig op basis van hun fysieke kwaliteit (figuur 49). Voor sporencluster 5 geldt dat de daar aanwezige sporen in principe een hoge informatiewaarde hebben, maar het gaat waarschijnlijk slechts om een klein fragment van een grotere nederzetting/huisplaats. Om die reden is besloten om sporencluster 5 ondanks de in potentie hoge informatiewaarde als niet behoudenswaardig aan te merken. Sporenclusters 3, 6 en 7 en deelgebied H zijn eveneens als niet behoudenswaardig gewaardeerd.Op basis van het onderzoek en de waardestelling wordt het volgende selectieadvies gegeven: • Archeologisch vervolgonderzoek (opgraven) in de behoudenswaardige delen (kern en periferie) van deelgebieden C en D (sporenclusters 1, 2 en 4) indien behoud in situ niet mogelijk is. Voor de behoudenswaardige kernen wordt een vlakdekkend onderzoek aanbevolen. Voor behoudenswaardige periferieën daarom heen een steekproefsgewijs onderzoek om een beeld te krijgen van het gebied rond de nederzettingskernen. Daar dient getracht te worden om kleine sporenclusters (bijvoorbeeld kuilen en bijgebouwen) op te sporen, te begrenzen en te onderzoeken en zo veel mogelijk afgezonderd gelegen sporen (kuilen, waterputten etc.) op te sporen en te onderzoeken. Een dergelijk onderzoek zal in eerste instantie bestaan uit het graven van aanvullende zoeksleuven in de niet onderzochte ruimtes tussen de eerdere sleuven en daarna op het opgraven van de in de periferie aangetroffen en begrensde sporen(clusters) en van afzonderlijk gelegen sporen. Er kan hierbij gedacht worden aan een onderzoek met een omvang (onderzoeksoppervlakte) van circa een derde van de periferie. Voor de gezamenlijke kernen geldt een oppervlakte van 8242 m2, een derde deel van de gezamenlijke periferie betreft een oppervlakte van 5285,1 m2. Wat de exacte doelstelling, de aard en de omvang (onderzoeksontwerp) van een vervolgonderzoek is, dient in een Programma van Eisen (PvE) te worden vastgelegd; • Vrijgeven van de niet-behoudenwaardige delen van deelgebied C (sporenclusters 3, 5, 6 en 7) en van deelgebied H.