Aardgastransportleidingen Bornerbroek-Enschede en Ommen-Hankate. Archeologisch vooronderzoek: een IVO, opgravingen en archeologische begeleiding

DOI

De N.V. Nederlandse Gasunie heeft op 16-02-2004 RAAP Archeologisch Adviesbureau opdracht gegeven voor een verkennend archeologisch onderzoek in de tracés van 2 aardgastransportleidingen. Het betreft een 75 km lang tracé tussen het aardgas- station in het Vilstersche Veld bij Ommen naar het Overijssels Kanaal bij Hankate en een 235 km lang tracé van het MenR-station aan de Zuiderval te Enschede naar het gasstation aan de Stobbenhorst te Bornerbroek. Naar aanleiding van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek is in overleg met de Gasunie en de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM; voorheen ROB) besloten om 3 archeologische vindplaatsen in het tracé Bornerbroek-Enschede door middel van een opgraving te onderzoeken. Het gaat om de vindplaatsen te Azelo-Azeler Esch en Buren-De Haar in de gemeente Hof van Twente en de vindplaats Usselo-Usseler Esch in de gemeente Enschede. Daarnaast diende in 4 tracédelen een archeologische begeleiding van de aanleg van de aardgastransportleiding plaats te vinden. Vooronderzoek tracé Ommen-Hankate In het gebied dat door de aardgastransportleiding Ommen-Hankate wordt doorsneden, zijn voor zover bekend nog nauwelijks archeologische vondsten gedaan. Het gebied behoorde in het verleden voor het grootste deel tot de marke Dalmsholte: een onbewoond en woest gebied bestaande uit moeras en heide dat, voor zover bekend, tot in de 19e eeuw geen noemenswaardige bewoning kende. Het tracé Ommen- Hankate is derhalve in archeologisch opzicht niet bijzonder veelbelovend. Als er archeologische resten voorkomen, is de kans het grootst deze aan te treffen op hoge dekzandruggen of -koppen in de nabijheid van moerassige laagten, bijvoorbeeld in de buurtschap Achterveld op de overgang naar het Dalmsholter Vlier, langs de zuidzijde van de Lemelerberg of op de Glinthaar ten zuiden van Lemele. In de uit- gestrekte reliëfarme gebieden die het tracé doorsnijdt, is de kans op archeologische resten in principe gering. Er is een beperkte kans op de aanwezigheid van Archeologische resten uit het Mesolithicum op de hoogste delen van dekzandwelvingen. Verder is er een kleine kans op het voorkomen van resten die verband houden met de exploitatie van de woeste gronden in de marke Dalmsholte in Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Gedacht kan worden aan resten van voordes en bruggen op plaatsen waar oude wegen (bijv. de Dalmsholterdijk) depressies of laagten passeren. Tijdens het inventariserend veldonderzoek zijn naast archeologische gegevens ook gegevens over de bodemopbouw verzameld. De volgende bodems zijn in het tracé aangetroffen: beek- en gooreerdgronden, AC-profielen, veldpodzolen, moerige gronden, stuifzand, hoge zwarte enkeerdgronden en vergraven bodems. Eenduidige beekeerdgronden zijn alleen aangetroffen in de Dalmsholter Vlier, een laaggelegen en nat gebied aan weerszijden de N348. Veldpodzolen, AC-profielen en moerige gronden bevinden zich hoofdzakelijk in het vlakke gebied ten oosten van de N348. Stuifzand is alleen aan de rand van Vilstersche Veld, ten westen van de N348, aan- getroffen. Hier bevindt zich een uitgestrekt gebied met ontgonnen stuifzand dat sporen van diepploegen en egalisatie vertoont. In het tracé van de aardgastransportleiding is op één plaats een hoge zwarte enkeerdgrond aangetroffen. Het gaat om een relatief recente ontginning in het Vilstersche Achterveld. Onder het plaggendek bevindt zich een goed ontwikkelde veldpodzol. Delen van het onderzochte tracé zijn tot minimaal 50 cm beneden maaiveld (-Mv) verstoord door bodembewerking of graaf- werkzaamheden. De verstoringen in het gasleidingtracé hebben in het algemeen een zeer lokaal karakter. Tijdens het inventariserend veldonderzoek zijn in het tracé Ommen-Hankate geen archeologische resten aangetroffen. Vooronderzoek tracé Bornerbroek-Enschede Tijdens het bureauonderzoek is vastgesteld dat het tracé van de aardgastransport- leiding Bornerbroek-Enschede diverse gebieden met een hoge archeologische verwachting doorsnijdt. Het gaat in vrijwel alle gevallen om dekzand- en grond- moreneruggen die zich in bodemkundig opzicht kenmerken door de aanwezigheid van hoge zwarte enkeerdgronden. Buiten deze landschappelijke eenheden bevinden zich glooiende dekzandgebieden met een middelmatige en beekdalen en depressies met een lage archeologische verwachting. Binnen 250 m van het tracé liggen 6 bekende archeologische vindplaatsen, waarvan er 2 in de directe omgeving van het tracé liggen. Het is mogelijk dat deze vindplaatsen zich tot in het tracé uitstrekken. Daarnaast zijn of waren binnen 250 m van het tracé 17 (voormalige) boerderijen aanwezig waarvan de oorsprong in de Late Middeleeuwen ligt. Hier is de kans relatief groot dat archeologische resten van middeleeuwse voorgangers van deze erven zich binnen het tracé bevinden. Ter hoogte van Borne passeert en snijdt het tracé verder fragmenten van een laat-middeleeuwse landweer die op de grens van het voormalige schoutambt Borne ligt/lag. Tijdens het inventariserend veldonderzoek zijn uitsluitend archeologische vondsten gedaan in gebieden met een hoge archeologische verwachting. Er is sprake van 4 grotere archeologische vindplaatsen en enkele ‘losse vondsten’, die hier verder buiten beschouwing blijven. Op de vindplaats Azelo-Azeler Esch zijn tijdens het booronderzoek over een lengte van ongeveer 900 m archeologische vondsten gedaan. Op grond van de vondsten zullen hieronder ieder geval bewoningssporen uit de periode Neolithicum t/m Vroege Middeleeuwen voorkomen. Daarnaast kunnen graven en agrarische sporen niet uitgesloten worden. Ter hoogte van de Veldweg in de Wooldse buurtschap Buren zijn op een hoge dekzandrug met plaggendek (De Haar) over een lengte van ongeveer 55 tot 60 m archeologische resten aangetroffen die duiden op een nederzetting uit de Prehistorie. De combinatie van vuursteen en aarde- werk kan duiden op de aanwezigheid van archeologische resten uit het Neolithicum of de Vroege Bronstijd. In een grasplantsoen aan de Platinaweg in het industrieterrein Twentekanaal te Hengelo is over een lengte van ongeveer 150 m een restant van een dekzandrug met plaggendek aangetroffen. In het bewuste tracédeel hebben 3 boringen archeologische vondsten opgeleverd. De aard van deze resten is vooralsnog onduidelijk; mogelijk betreft het resten uit het Mesolithicum en/of Neolithicum en sporen van laat-middeleeuwse bewoning. Verder moet op grond van de resultaten van het booronderzoek en van oude vondstmeldingen op de Usseler Esch rekening gehouden worden met de aanwezigheid van archeologische sporen uit de Prehistorie en Middeleeuwen over een lengte van ongeveer 900 m. Laat-middeleeuwse bewo- ningssporen worden met name verwacht in het gebied tussen de Usseleresweg en de Haaksbergerstraat. Elders op de Usseler Esch worden voornamelijk archeologische resten uit de Prehistorie en eventueel de Romeinse tijd of Vroege Middeleeuwen verwacht. Op basis van het vooronderzoek is aanbevolen om de vindplaatsen Azelo-Azeler Esch, Buren-De Haar en Usselo-Usseler Esch te onderzoeken door middel van een opgraving. Gezien de diepteligging van de archeologische resten op deze 3 vind- plaatsen zal waarschijnlijk alleen verstoring van archeologische resten plaatsvinden in het leidingcunet met een breedte van ongeveer 2 m. Voor de vindplaats in Indu- strieterrein Twentekanaal wordt een archeologische begeleiding tijdens het graven van het leidingcunet aanbevolen. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek komen nog enkele delen van het leidingtracé in aanmerking voor een vorm van archeologische begeleiding tijdens. Het gaat om gebieden met een plaggendek die tijdens het veldonderzoek geen of slechts een gering aantal vondsten opgeleverd hebben en/of om tracédelen in de directe nabijheid van (van oorsprong) middeleeuwse boerderijen en landweren. Opgraving Azeler Esch Azelo Het onderzoek op de Azeler Esch heeft ondanks de geringe breedte van de werkputten een schat aan gegevens opgeleverd met betrekking tot de aanwezige archeologische resten en het opbouw en het ontstaan van het plaggendek. Hoewel een klein aantal vondsten van vuurstenen artefacten een aanwijzing vormt voor activiteiten in de Steentijd, dateert het merendeel van de archeologische vondsten van de Azeler Esch uit de IJzertijd en Romeinse tijd. Op het noordelijke deel van de Azeler Esch is een bescheiden hoeveelheid grondsporen uit de IJzertijd aangetroffen. De aard van de sporen (paalkuilen, kuilen, waterkuil) en het vondstmateriaal duiden op een nederzettingsterrein. Op het zuidelijke deel van de Azeler Esch zijn eveneens archeologische resten uit de IJzertijd aangetroffen. Het betreft tientallen paalkuilen en kuilen die op basis van het aangetroffen aardewerk uit de Vroege en/of Midden IJzertijd dateren. In tegenstelling tot het noordelijke deel van de es ligt het merendeel van de sporen uit de IJzertijd in het zuiden in een gebied met goed ontwaterde, vruchtbare moderpodzolen. Verder is de dichtheid aan grondsporen aanzienlijk groter dan in het noorden. Op de zuidzijde van de Azeler Esch zijn voor Twentse begrippen zeldzame neder- zettingssporen uit de Laat Romeinse tijd gevonden. Het betreft een grote waterput en enkele tientallen paalkuilen, waarvan een deel mogelijk deel uitmaakt van de plattegrond van een groot gebouw. Het belangrijkste grondspoor is ongetwijfeld de waterput die door middel van dendrochronologisch onderzoek in 272 of 273 na Chr. gedateerd is. Naast gedraaid en handgevormd aardewerk uit de Laat Romeinse tijd bevatte de vulling van de waterput (fragmenten van) 12 bronzen voorwerpen. Deze bronzen, waarbij het zonder uitzondering om tot schroot verknipt brons gaat dat gereedgemaakt was om te worden omgesmolten, zijn verspreid in de vulling van de insteek van de put aangetroffen. Vermoedelijk betreft het een tijdens het graven van de waterput vergraven (ouder) depot van bronsschroot dat verspreid in de insteek van de waterput is terechtgekomen. Het onderzoek op de Azeler Esch heeft uit de periode na de Laat Romeinse tijd geen bewoningssporen opgeleverd. Wel doen de vondsten van een scherf Badorfaardewerk uit de Vroege Middeleeuwen en diverse scherven Hessens-Schortens en kogelpot- aardewerk uit de Vroege en Late Middeleeuwen de nabijheid van een middeleeuwse nederzetting vermoeden. Ongetwijfeld bestaat er een verband met de nog bestaande, van oorsprong middeleeuwse erven aan de noord- en westzijde van de Azeler Esch. Overvloediger zijn de agrarische sporen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd die tijdens het onderzoek zijn aangetroffen. Ronduit spectaculair zijn de vele laat- middeleeuwse akkerbedden onder het plaggendek, waarvan het reliëf door het dikke plaggendek heen nog aan het maaiveld zichtbaar is. Vermoedelijk bestaat er een verband tussen deze bedden en de ontginning van en akkerbouw op natte, sterk verkitte bodems in de Late Middeleeuwen. Vergelijkbare goed geconserveerde akkerbedden zijn in Oost-Nederland nog niet eerder aangetroffen. De akkerbedden zijn afgedekt door een dik plaggendek. Artefacten die tijdens het onderzoek uit het plaggendek zijn verzameld, duiden op een aanvang van de plaggenbemesting in de 16e eeuw of 17e eeuw. De aanwezigheid van baksteen in de top van het plaggendek duidt op het voortduren van de plaggenbemesting tot ver in de 19e eeuw. Opgraving Buren-De Haar De opgraving Buren-De Haar heeft een groot aantal vondsten opgeleverd die duiden op de aanwezigheid van goed geconserveerde resten en sporen van bewoning uit het Mesolithicum en de Vroege Bronstijd. De aanwezigheid van een grotendeels intacte cultuurlaag met een grote dichtheid aan materiaal uit het Mesolithicum en de Vroege Bronstijd, waaronder zich ook nog grondsporen bevinden, is in Oost- Nederland een uitermate zeldzaam verschijnsel. Meestal zijn resten uit deze perioden door agrarisch gebruik in het verleden grotendeels of geheel in een bouwvoor of in het plaggendek opgenomen. Dit maakt de vindplaats Buren-De Haar tot bijzondere locatie. De mesolithische vuurstenen artefacten duiden, mede gezien de landschap- pelijke ligging, waarschijnlijk op de aanwezigheid van resten van basiskampen waar groepjes jager-verzamelaars seizoensmatig (langere tijd) verbleven. De locaties van deze basiskampen waren vaak eeuwenlang in gebruik, waardoor op deze terreinen sprake is van een accumulatie van archeologische resten uit een groot deel van het Mesolithicum. De verwachting is dat de mesolithische bewoningssporen zich over een groot deel van de onderhavige dekzandrug uitstrekken. De resten uit de Vroege Bronstijd duiden op de aanwezigheid of de nabijheid van een nederzetting. De resten, met name keramiek, zijn sterk gefragmenteerd.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/DANS-ZU4-JF35
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/DANS-ZU4-JF35
Provenance
Creator H.B.G. Scholte-Lubberink
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor m verbruggen; RAAP Archeologisch Adviesbureau
Publication Year 2020
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact m verbruggen (RAAP)
Representation
Resource Type Dataset
Format text/xml; application/pdf
Size 16095; 16285; 5909; 3213; 53643882; 754325; 373705; 1673155; 1474254; 1655028; 1473475; 62648; 55810; 97804; 145593; 53862; 87652
Version 1.0
Discipline Humanities