In opdracht van de gemeente Bernisse heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in november en december 2007 een opgraving uitgevoerd in verband met de voorgenomen aanleg van een waterpartij (onderzoeksgebied, ca. 780 m2) op de woningbouwlocatie Zuidland (plangebied, ca. 29 hectare) in de gemeente Bernisse. Het betreft het vervolg op het door Oranjewoud uitgevoerde inventariserend onderzoek dat bestond uit een verkennend en karterend booronderzoek (Oude Rengerink en Vossen, 2006) en een waarderend onderzoek door middel van proefsleuven (Vossen, 2007). Op grond van de resultaten daarvan werd geconcludeerd dat er in het plangebied sprake is van een behoudenswaardige vindplaats uit de Romeinse tijd. Hiervoor is behoud in situ aanbevolen. Dit betekent dat de vindplaats dient te worden opgegraven indien archeologische waarden bedreigd worden door de geplande bodemingrepen en planinpassing niet tot de mogelijkheden behoort. Binnen de behoudenswaardige vindplaats is o.a. een waterpartij gepland. De bodemingrepen reiken tot circa 3,5 m -NAP (beneden het archeologisch niveau). In verband hiermee is ter plaatse van een deel van de waterpartij een opgraving uitgevoerd. Opgemerkt wordt dat de behoudenswaardige vindplaats een groter areaal omvat, waarbinnen andersoortige bodemingrepen zijn gepland (zoals woningbouw). Tijdens het proefsleuvenonderzoek uitgevoerd door Oranjewoud zijn archeologische waarden uit de Romeinse tijd aangetroffen op de zuidelijke oeverwal van een noordwest-zuidoost georiënteerde geul. Het betrof met name paalsporen en houten palen. Er is minimaal 1 gedeeltelijke plattegrond van een boerderij aangetroffen en een spieker. Deze sporen bevinden zich daar waar sleuf 3 en 6 elkaar kruisen (figuur 2). Verder zijn houten heiningen (afzettingen) aangetroffen en beschoeiingen. De huisplattegrond wordt gedateerd in de eerste helft van de 2e eeuw na Chr. Daarnaast waren er nog sporen van funeraire aard; grafkuilen met crematieresten, brandkuilen en verspoelde brandplekken. Deze liggen op de oeverwal ter hoogte van put 7, ter hoogte van de kruising van de putten 3 en 6 en in de putten 2 en 5 (figuur 2). Deze funeraire sporen worden gedateerd in een latere periode: vanaf het vierde kwart van de 2e eeuw tot in de eerste helft van de derde eeuw na Chr. De funeraire concentratie in de putten 3 en 6 ligt temidden van de zone met de huisplattegrond, die dus uit een oudere periode lijkt te dateren. RAAP heeft een kleine zone opgegraven tussen de werkputten 1B en 5 van Oranjewoud (figuur 2). Tijdens dit onderzoek is eveneens de smalle oeverwal aangetroffen met ten noordwesten ervan een geul en ten zuidoosten ervan het komgebied. Ten tijde van de bewoning op de oeverwal lag de geul vermoedelijk nog (deels) open. Ter hoogte van de geul zijn dan ook geen bewoningssporen aangetroffen. Over de gehele lengte van het onderzochte deel van de oeverwal is een rij houten palen aangetroffen, die samen een heining vormen. Ten zuidoosten van de heining zijn brandkuilen en crematieresten aangetroffen. De heining lijkt te dienen als afscheiding voor de zone met crematieresten en brandkuilen. Specialistisch onderzoek naar de crematieresten heeft uitgewezen dat de aanwezigheid van één menselijk individu met zekerheid kan worden vastgesteld. Verder betreft het met name botfragmenten die niet te determineren zijn en een grote hoeveelheid dierlijk botmateriaal afkomstig uit (brand)afvalkuilen. Binnen de zone met crematieresten en brandkuilen zijn (op hetzelfde niveau als de heining) verspreid nog enkele losse palen aangetroffen. Mogelijk hebben deze onderdeel uitgemaakt van de constructie van bijvoorbeeld een brandstapel. Dit is echter niet duidelijk geworden uit het onderzoek. Uit het onderzoek naar bewerkingssporen op de palen, blijkt dat 4 van deze losse palen op een gelijke wijze bewerkt zijn (spoornummers 52, 53, 60 en 82). Aangenomen wordt dat deze palen onderdeel uitmaken van één constructie. Gezien de beperkte omvang van de opgravingsput kan geen interpretatie worden gegeven. Het is mogelijk dat in en rondom deze opgravingsput, evenals in de putten 3 en 6, sprake is van een mix van funeraire sporen en niet-funeraire sporen (zoals spiekers, huisplattegronden, beschoeiingen e.d.). Volgens het onderzoek van Oranjewoud dateren de funeraire sporen uit een jongere periode. Het in de vondstlaag en grondsporen aangetroffen aardewerk betreft lokaal vervaardigd aardewerk en geimporteerde waar. Deze worden gedateerd vanaf het einde van de 1e eeuw tot in de 3e eeuw na Chr. Doordat een groot deel van het aardewerk o.a. door formatieprocessen en secundaire verbranding verweerd is geraakt en slechts een beperkte hoeveelheid aan diagnostisch materiaal (uit een korte periode) afkomstig is van de vindplaats, is het lastig de vindplaats scherp te dateren. Daarnaast zijn veel fragmenten van het aangetroffen aardewerk over een lange periode in gebruik geweest, in de 1e en 2e eeuw en soms nog in de perioden erna. Het onderzoek naar het aardewerk heeft geen scherpere dateringen opgeleverd ten opzichte van de gegevens die reeds bekend waren uit het proefsleuvenonderzoek. Indien het mogelijk blijkt om een of meerdere van de essenhouten palen te dateren met behulp van dendrochronologisch onderzoek, kan wellicht een scherpere datering worden verkregen. Hieruit kan eventueel ook blijken of er sprake is van een verschil in datering tussen de heining en de ‘losse’ palen. Tot nu toe zijn er op deze locatie geen eenduidige aanwijzingen voor een fasering.