Lith. Plangebied Molenstraat

DOI

Binnen het plangebied zijn archeologische resten aangetroffen vanaf de Romeinse Tijd tot en met de Vroege Nieuwe Tijd. Het betreft voornamelijk oppervlaktevondsten, die door recente grondbewerking of verstoring zichtbaar zijn geworden. De mogelijk aanwezige vindplaatsen zijn hoofdzakelijk gebaseerd op de lithologische ondergrond en de aangetroffen oppervlaktevondsten. De oppervlaktevondsten zijn met uitzondering van vondstnummer 4 (Bijlage 7) allen aangetroffen in die delen waar oever-, crevasse-, of rivierduinafzettingen zich direct onder de bouwvoor bevinden. Deze geomorfologische eenheden zijn van oudsher ook de beste plekken voor vestiging van de mens in het rivierengebied. Voor het gehele plangebied, met uitzondering van het centrale deel van het plangebied waar alleen komafzettingen zijn aangetroffen, kan de middelhoge tot hoge archeologische verwachting op het aantreffen van archeologische resten vanaf het Mesolithicum tot en met de Vroege Nieuwe Tijd worden gehandhaafd (Bijlage 8). Specifiek gezien geldt er een middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten vanaf het Mesolithicum tot en met de Vroege Nieuwe Tijd in de top van de rivierduinafzettingen. De rivierduinafzettingen bevinden zich in het zuidoostelijke deel direct aan het oppervlak (Bijlage 6). In het zuidwestelijke deel bevindt de top van de rivierduinafzettingen zich tussen 60 en 150 cm -mv en zijn ze afgedekt door jongere kom- of oeverafzettingen (Bijlage 6). In het centraal noordelijke deel zijn de rivierduinafzettingen afgedekt door crevasse- en of oeverafzettingen en bevindt de top van het rivierduinzand zich tussen de 75 en 180 cm -mv. Het hoogteverschil is vermoedelijk ontstaan door de eroderende kracht van een crevassegeul vanuit de Lith stroomgordel. Voor de plekken waar het rivierduinzand wordt afgedekt door jongere rivierafzettingen geldt een middelhoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de perioden Mesolithicum tot en met de Bronstijd (complextype: jachtkampement).Vindplaats 1 bevindt zich in de top van de duinafzettingen, die niet zijn afgedekt door jongere rivierafzettingen. Het betreft mogelijk een nederzetting uit de Karolingische Tijd tot en met de Late Middeleeuwen A (900 ? 1200 n. Chr.; Bijlage 8). Voor de top van de oever- en of crevasseafzettingen van de Lith stroomgordel en voor de aanwezige laklaag geldt specifiek een (middel)hoge archeologische verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de perioden IJzertijd tot en met de Romeinse Tijd (complextype: nederzetting, huisplaats met erf en verbrandingsplaats; Bijlage 8). Eventueel aanwezige archeologische resten kunnen worden verwacht in de top van de oever- of crevasse-afzettingen of in de top van de laklaag. De top van de oever- en of crevasseafzettingen bevindt zich tussen 0,50 en 1,80 m -mv (2,60 en 3,50 m +NAP). De aanwezige laklaag bevindt zich ongeveer op 1,80 m -mv. Vindplaats 2 ligt in het centraal zuidelijke deel van het plangebied en bevindt zich vermoedelijk op een in de binnenbocht gelegen kronkelwaard van de Lith stroomgordel. Deze kronkelwaard heeft zich ontwikkeld bovenop een lager deel van de zuidelijke rivierduinrug. Eventueel aanwezige archeologische resten bevinden zich vermoedelijk in de top van de oeverafzettingen van de Lith stroomgordel op circa 0,50 tot 1,60 m ? mv. Het betreft mogelijk de resten van een Romeinse nederzetting.Voor de top van de oeverafzettingen van de Maas geldt specifiek een (middel)hoge archeologische verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de Middeleeuwen tot en met de Vroege Nieuwe Tijd (complextype: nederzetting, boerderij met erf; Bijlage 8). De oeverafzettingen bevinden zich direct aan het oppervlak.Eventueel aanwezige archeologische resten kunnen direct onder de bouwvoor 'in situ' worden aangetroffen. Vindplaats 3 ligt in het centraal noordelijke deel van het plangebied en betreft mogelijk een nederzetting uit de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd A.Voor het centrale deel van het plangebied geldt op basis van de afwezigheid van oever-, crevasse- en/of duinzandafzettingen een lage verwachting op het aantreffen van archeologische resten voor alle perioden (Bijlage 8). De gaafheid van de drie mogelijke vindplaatsen lijkt niet zeer hoog, vanwege de ligging direct onder de bouwvoor met een dikte tussen de 35 en 95 cm. De exacte contouren van de drie vindplaatsen dienen nog nader bepaald te worden. Vanwege de relatief lage grondwaterstand is de conservering van eventuele archeologische resten matig.Op grond van bovenstaande conclusies adviseert BAAC bv om bodemverstorende activiteiten te vermijden voor alle gebieden met een (middel)hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten binnen 1,5 m -mv (ca. 4,5 hectare). Indien dat niet mogelijk is, dan adviseert BAAC bv dat er een archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek noodzakelijk is voor dit deel van het plangebied (Bijlage 8). Voor het gebied met een lage archeologische verwachting (ca. 1.2 hectare) wordt een archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht.

Identifier
DOI https://doi.org/10.17026/DANS-25P-SH2J
Metadata Access https://archaeology.datastations.nl/oai?verb=GetRecord&metadataPrefix=oai_datacite&identifier=doi:10.17026/DANS-25P-SH2J
Provenance
Creator BAAC BV; Kalisvaart, C.C.
Publisher DANS Data Station Archaeology
Contributor C.C. Kalisvaart; BAAC bv
Publication Year 2012
Rights CC-BY-4.0; info:eu-repo/semantics/openAccess; http://creativecommons.org/licenses/by/4.0
OpenAccess true
Contact C.C. Kalisvaart (BAAC bv)
Representation
Resource Type Dataset
Format text/xml; application/pdf
Size 9604; 19038053; 9574; 902; 6679
Version 1.0
Discipline Humanities